Advocaten Algemeen Bedrijfsjuristen Gerechtsdeurwaarders Nieuws

Uitgevers krijgen eigen vergoeding die losstaat van het auteursrecht

Geschreven door Tom De Coster

Het KB reprografie en het KB uitgevers leggen de nieuwe tarieven alsook aangifte-, innings- en verdelingsprocedure vast om respectievelijk rechthebbenden te compenseren voor de uitzondering in het auteursrecht die toelaat om bepaalde papieren werken op papier te reproduceren voor intern professioneel gebruik (reprografie-uitzondering) en uitgevers aan te moedigen om bepaalde papieren uitgaven op papier te reproduceren voor intern professioneel gebruik. De vergoeding voor de uitgevers vloeit niet voort uit het auteursrecht. De nieuwe regeling is een reactie op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de HP/Reprobel zaak, waarbij het Hof onder meer struikelde over het feit dat de Belgische auteurswetgeving de reprografievergoeding ook toekende aan uitgevers terwijl die niet over een exclusief recht beschikken.

Onlangs werden twee uitvoeringsbesluiten gepubliceerd ter uitwerking van de wet van 22 december 2016 tot wijziging van sommige bepalingen van het boek XI van het wetboek van economisch recht (BS 29 december 2016). Daarmee gaf de wetgever gevolg aan het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 2015 in de HP/Reprobel zaak (C-572/13) (zie artikel van 7 maart 2017): het KB van 5 maart 2017 over de vergoeding voor reprografie verschuldigd aan auteurs (het KB reprografie); en het KB van 5 maart 2017 over de vergoeding verschuldigd aan uitgevers voor de re-productie op papier of op een soortgelijke drager van hun uitgaven op papier (het KB uitgevers). Het KB reprografie bepaalt dat de wet van 22 december 2016 in werking treedt op 10 maart 2017 (net zoals het KB reprografie en het KB uitgevers zelf die op dezelfde datum in werking treden).

KB reprografie

Het KB reprografie heft met ingang vanaf 1 januari 2017 het vorige KB van 30 oktober 1997 op en legt de nieuwe reprografievergoeding vast. Die vergoeding is verschuldigd om auteursrechthebbenden te compenseren voor de reprografie-uitzondering. Deze uitzondering houdt in dat men bepaalde auteursrechtelijk beschermde werken (artikelen, werken van beeldende of grafische kunst of korte fragmenten uit andere werken) die op papier of een soortgelijke drager zijn vastgelegd, met uitzondering van bladmuziek, d.m.v. een fotografische techniek of gelijkaardige werkwijze op papier of een soortgelijke drager mag reproduceren zonder toestemming van de rechthebbende voor intern gebruik in het kader van professionele activiteiten, indien dit geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk. De wetgever opteerde in de wet van 22 december 2016 voor de afschaffing van het forfaitaire vergoedingssysteem en het behoud van een evenredig vergoedingssysteem.

KB uitgevers

Het KB uitgevers legt ter uitvoering van de wet van 22 december 2016 een sui generis vergoeding vast voor uitgevers, die niet voortvloeit uit het auteursrecht. In overeenstemming met het HP/Reprobel arrest kan de reprografievergoeding enkel worden uitgekeerd aan de auteursrechthebbende en niet langer aan de uitgever (die geen relevante auteursrechten heeft). De wetgever wou echter vermijden dat investeringen van uitgevers ontmoedigd zouden worden en voorzag voor hen in een eigen vergoedingsrecht dat van toepassing is op reproducties op papier of soortgelijke drager (m.u.v. reproducties ter illustratie van onderwijs of wetenschappelijk onderzoek) van bepaalde uitgaven op papier (artikelen, uitgaven van beeldende of grafische kunst of korte fragmenten uit andere uitgaven) d.m.v. een fotografische techniek of gelijkaardige werkwijze voor intern gebruik in het kader van professionele activiteiten. De duur van dit recht op vergoeding bedraagt vijftig jaar vanaf 1 januari van het jaar volgend op de eerste uitgave op papier.

Tarieven

De tarieven worden voor het huidige kalenderjaar vastgelegd op 0,0277 euro per reproductie van een beschermd werk (KB reprografie) of een uitgave (KB uitgevers). Voor de reproducties die gebeuren tijdens het huidige kalender-jaar, moet de aangifte (afgezien van uitzonderingen) binnen dertig werkdagen vanaf 1 januari 2018 worden ingediend. Als de aangifte niet tijdig wordt ingediend of wanneer de vergoedingsplichtige in de aangifte onvolledige of duidelijk onjuiste vereiste informatie doorgeeft, wordt het bedrag verhoogd tot 0,0423 euro per reproductie van een werk of uitgave om de kosten voor vaststelling en inning te dekken.

Kritiek

Die nieuwe tarieven liggen hoger dan in het voormalige KB reprografie van 30 oktober 1997, vermoedelijk om het wegvallen van de forfaitaire vergoeding te compenseren, maar worden opnieuw gelijkmatig verdeeld tussen de auteursrechthebbende en de uitgever. Zo verandert er in de praktijk weinig voor auteurs en uitgevers. Bovendien rijst de vraag of het verhogen van de reprografievergoeding bij het te laat of onvolledig/onjuist indienen van de aangifte niet neerkomt op het behoud van het onderscheid in de evenredige vergoeding op basis van het feit of de vergoedingsplichtige al dan niet meewerkt bij de inning (zoals in het opgeheven KB van 30 oktober 1997 het geval was). Dit onderscheid had het Hof van Justitie in het HP/Reprobel arrest namelijk afgewezen als criterium om de evenredige vergoeding te bepalen: het reflecteert immers niet accuraat de werkelijk geleden schade van de rechthebbende.

Uitwerking

De uitwerking van het KB reprografie en het KB uitgevers is zeer gelijklopend. De vergoedingsplichtige heeft twee opties. Ofwel dient hij een algemene aangifte in en komt hij met de beheersvennootschap overeen hoe het aantal reproducties zal worden vastgesteld. Ofwel dient hij een gestandaardiseerde aangifte in die de beheersvennootschap uitwerkt aan de hand van gestandaardiseerde roosters die per activiteitensector worden opgesteld en goedgekeurd door de minister. De minister raadpleegt daarvoor de adviescommissie voor de betrokken milieus, die een raming moet geven van het aantal reproducties tijdens het relevante kalenderjaar. Als het aantal reproducties niet in onderling overleg wordt geraamd, kan de beheersvennootschap vragen dat een deskundige daarover adviseert.

Beide KB’s bepalen dat de vergoedingsplichtigen de beheersvennootschap gegevens dienen te bezorgen die nodig zijn voor de inning en de verdeling van de vergoeding. De periode waarvoor de vergoedingsplichtige gevraagd mag worden om gegevens in te zamelen voor de verdeling van de vergoeding mag echter niet langer zijn dan vijftien werkdagen per kalenderjaar. De vergoedingsplichtige moet de laatstgenoemde gegevens niet meedelen, als hij ermee instemt dat de beheersvennootschap gedurende maximaal vijftien werkdagen per kalenderjaar bij de vergoedingsplichtige ter plaatse een lijst opmaakt van de werken of uitgaven die worden gereproduceerd. De minister moet de verdelingsregels die de beheersvennootschap opstelt (en elke wijziging ervan) goedkeuren.
Verder is de beheersvennootschap gehouden om vanuit het idee van administratieve vereenvoudiging een gratis platform voor online aangifte aan te bieden.
Tot slot dient de beheersvennootschap om de zes jaar een onafhankelijke studie laten uitvoeren naar (onder andere) het aantal gemaakte reproducties.

Koninklijk besluit van 5 maart 2017 betreffende de vergoeding voor reprografie verschuldigd aan auteurs, BS 10 maart 2017 (KB reprografie); koninklijk besluit van 5 maart 2017 betreffende de vergoeding verschuldigd aan uitgevers voor de reproductie op papier of op een soortgelijke drager van hun uitgaven op papier, BS 10 maart 2017 (KB uitgevers).

 

Meer lezen van deze auteur? Lees dan hier het vorige artikel van Tom De Coster.

Opmerking plaatsen

X