Advocaten Algemeen Bedrijfsjuristen Fiscalisten Nieuws Notarissen Vastgoedmakelaars

Aandelenopties: nieuwe Vlaamse aangiftemethode

Loonsvermindering kan niet alleen, maar gebeurt ook effectief 1
Geschreven door Rik Deblauwe

Ook niet-beursgenoteerde aandelenopties moeten in Vlaanderen voortaan onmiddellijk gewaardeerd en aangegeven worden, in tegenstelling tot het vroegere federale standpunt. (nieuw standpunt nr. 16063).

Hoe het was

  1. Een aandelenoptie geeft het recht om een aandeel te kopen (call option) of te verkopen (put option) tegen een vooraf vastgestelde prijs. Je koopt bv. het recht om het aandeel AB-Inbev te kopen tegen 115 € gedurende een periode van 6 maanden. Stijgt het aandeel op de beurs tot 120 €, dan kun je de optie lichten (of ‘uitoefenen’): je betaalt de prijs van 115 €, en je kunt onmiddellijk daarna het gekochte aandeel verkopen voor 120 €, dus heb je 5 € winst. Dat is het principe.
  1. Zo’n optie kun je kopen op de beurs, maar ook buiten de beurs. Sommigen krijgen er ook van hun werkgever, in het kader van een aandelenplan of stock option plan. Zo’n optie kan eindigen bij het overlijden: ze verliest dan haar waarde. In dat geval is er niets aan te geven in de nalatenschap, vroeger niet en ook nu niet.
    Maar de optie kan ook vererven, en dan moet ze aangegeven worden tegen haar verkoopwaarde, zegt de wet. Als ze ook beursgenoteerd is, moet de beurswaarde aangegeven worden, op datum van het overlijden, één maand erna, of twee maanden erna[1]. Dat is niet zo moeilijk. Maar als ze niet beursgenoteerd is, wat dan?
    Om een optie te waarderen bestaan er formules. Die gaan terug op vrij ingewikkelde berekeningen, die destijds door de heren Black en Scholes uitgewerkt werden, en men vindt daarvoor tegenwoordig heel wat ‘calculators’ op internet. Maar sommige van de factoren die men moet ingeven (bv. de volatiliteit van het aandeel), zijn redelijk subjectief.
  1. Daarom had de federale administratie destijds toegelaten om in de oorspronkelijke aangifte van nalatenschap een post “pro memorie” voorzien waarbij het aantal en de duur van de uitoefening van de aandelenopties worden vermeld.
    Later moeten de erfgenamen, indien zij tot het besluit komen om de opties te lichten, spontaan een bijvoeglijke aangifte van nalatenschap indienen met in het actief de waarde van de aangekochte aandelen [op het ogenblik van de lichting van de optie, en in het passief, de uitoefenprijs om de aandelen] te verkrijgen.
    Dit heeft als effect dat enkel de meerwaarde van de verwerking met successierecht wordt belast, waardoor de fiscale rechtvaardigheid gerespecteerd wordt, aldus de federale beslissing [2].
  1. Toegepast op het voorbeeld van daarnet zou dat betekenen: de aangevers geven aan in de aangifte bij het overlijden: zoveel opties AB-Inbev, met een duur van zoveel maanden of jaren. Later, als de opties gelicht worden, dienen ze een bijvoeglijke aangifte in, waarin ze vermelden:
  • In het actief: zoveel aandelen x 120 € per stuk = …
  • In het passief: zoveel aandelen x 115 € per stuk = …
  • Waardoor dus inderdaad het saldo belast wordt.

Hoe het wordt

  1. De Vlaamse belastingdienst ziet het nu anders. In Standpunt nr. 16063 (Belastbaarheid en waardering van aandelenopties – Art. 2.7.3.2.1. VCF) beslist hij dat er als volgt moet gehandeld worden:
    Eerste hypothese: de optie wordt overgedragen door het overlijden
  • gaat het om beursgenoteerde effecten, dan moet de waarde van de optie onmiddellijk worden aangegeven volgens de beurswaarde ervan, volgens de regels die gelden voor alle beurswaarden. De uitgifteprijs is aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap, mits het nodige bewijs wordt geleverd van het feit dat deze uitgifteprijs nog verschuldigd is.
  • gaat het om niet-beursgenoteerde effecten, dan moet de waarde van de optie onmiddellijk worden aangegeven. De aan te geven waarde is de verkoopwaarde van de optie op datum van het overlijden. Deze moet door de aangevers worden geschat (als bewijs kan een verslag van een boekhouder, revisor, … worden bijgevoegd). De uitgifteprijs is aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap, mits het nodige bewijs wordt geleverd van het feit dat deze uitgifteprijs nog verschuldigd is.Op die manier is enkel het verschil in meer tussen de waarde van de optie en de nog verschuldigde uitgifteprijs belastbaar met erfbelasting.

    Tweede hypothese: de optie is onoverdraagbaar

  • is de optie niet overdraagbaar, dan gaat ze teniet door het overlijden van de optiehouder en moet de optie niet worden aangegeven in de nalatenschap.Dit standpunt sluit aan bij het federale standpunt zoals verwoord in RJ S 15/34-01 maar houdt een vereenvoudiging in van de administratieve last voor de aangevers-belastingplichtigen. Vermits de optie onmiddellijk wordt aangegeven in de initiële aangifte, wordt er van de aangevers niet meer gevraagd dat ze een nieuwe aangifte moeten indienen op het ogenblik dat de optie wordt gelicht.”

Conclusie

  1. Het standpunt sluit inderdaad aan bij het federale standpunt, in die zin:
  • dat bij onoverdraagbare opties, er niets aan te geven valt, zowel vroeger als nu;
  • dat bij overdraagbare beursgenoteerde opties, de beurskoers aangegeven moet worden, zowel vroeger als nu;
  • dat bij overdraagbare niet-beursgenoteerde opties de mogelijkheid die de federale administratie gaf, vervalt, en dat men ook daar aansluit bij de algemene regel: waardering op het ogenblik van het overlijden.
  1. Toegepast op het voorbeeld zal men dus de optie moeten (laten) schatten, door een bank, een accountant, een revisor, enz. Je kunt ze ook zelf waarderen, maar daar is wel enige deskundigheid voor nodig. Is de beurskoers op het ogenblik van het overlijden (of in de 2 maanden erna) vrij hoog, dan zal de optie misschien meer dan 5 € per stuk bedragen, terwijl het aandeel nadien kan dalen, en de optie per saldo niet gelicht kan worden.
    Maar dat een actief na het overlijden stijgt of daalt, is het risico bij elk actief van de nalatenschap.

Rik Deblauwe

Dit is een bewerking van het artikel dat eerder als lexfin nieuwsbericht verscheen op 17 oktober 2016, www.lexfin.be

[1] art. 2.7.3.3.2, (1e lid) 3° en art. 2.7.3.3.2 (2e lid) de Codex.

[2] Adm. besl. van 19 juni 2001, nr. E.E./98.011, Rep. Nummer S 15/34-01; Deblauwe, Inleiding tot de Vlaamse erfbelasting, Knops Publishing, 2015, 283 nr. 602. De woorden tussen vierkante haakjes ontbreken op fisconet, maar hebben wij aangevuld aan de hand van de Franse tekst van de beslissing;

Opmerking plaatsen

X