Algemeen Balies

ADVOCATEN EN HUN INFORMATIEPLICHTEN

Geschreven door Balie Antwerpen

Wettelijke en deontologische informatieverplichtingen doorkruisen het recht op ereloon van de advocaat.
Door de bomen dreigt men het bos niet langer te zien.
Hier volgt een stand van zaken.

door Herman Buyssens – Gewezen stafhouder

De juridische relatie tussen een advocaat en zijn cliënt is een dienstencontract.

Dit dienstencontract wordt gekenmerkt door een onevenwicht tussen de advocaat en de cliënt, met name omdat de mate waarin zij over informatie beschikken verschillend is (HvJ 15 januari 2015, nr. C-537/13, Siba, overweging 23).

Zowel het algemene verbintenissenrecht als meer specifieke rechtsbronnen leggen de advocaat bij het aanvaarden en het behandelen van dossiers voor zijn cliënten, daarom informatieverplichtingen op.

Deze informatieverplichtingen kunnen strenger zijn al naargelang de kennisasymmetrie tussen advocaat en cliënt geacht wordt groter te zijn.

Zo zal de informatieverplichting verder gaan ten aanzien van de consument (b2c-relatie) dan ten aanzien van een andere professioneel (b2b).

Algemene precontractuele informatieplicht inzake erelonen

Er zijn vooreerst een aantal algemene informatieregels opgenomen in boek III van het Wetboek Economisch Recht van 28 februari 2013 (hierna WER), die gelden voor elke onderneming/advocaat, zowel ten aanzien van consumenten als professionele klanten.

Zo moet de advocaat ingevolge artikel III.74 WER een aantal informaties ter beschikking stellen van de cliënt, waaronder de algemene voorwaarden, die zijn prestaties beheersen, alsook de prijs van zijn diensten, wanneer de prijs van een bepaalde soort dienst vooraf is vastgesteld.

Dit geldt dus enkel indien voor een bepaald soort prestatie of dossier een vast forfaitair ereloon wordt aangerekend.

Deze informatie kan dan rechtstreeks medegedeeld worden aan de cliënt of op een gemakkelijk toegankelijke plaats aan hem ter beschikking gesteld (bijvoorbeeld door uithanging in de wachtzaal of aan de receptie van het kantoor, door vermelding op een website of door het verstrekken van een kantoorbrochure of informatiedocument).

Deze informatie moet spontaan geleverd worden zonder dat de cliënt erom vraagt.

Als het ereloon niet vooraf forfaitair wordt vastgesteld, dan voorziet artikel 76.1° WER dat de advocaat wanneer hij daar door de cliënt om wordt verzocht, verplicht is om hetzij de manier waarop het ereloon zal worden berekend mede te delen, zodat de cliënt de ereloonnota kan controleren hetzij een voldoende gedetailleerde kostenraming te bezorgen.

Artikel III.77 WER schrijft voor dat deze informatie helder, ondubbelzinnig en tijdig vóór de sluiting van enige overeenkomst of vóór de verrichting van enige prestatie moet worden medegedeeld of beschikbaar gesteld.

De onderneming/advocaat draagt daarvan de bewijslast (artikel III.78 WER).

Deze verplichting evenals de hierna toegelichte verplichte informatie aan de consument zijn niet van toepassing in het raam van de juridische eerste- en tweedelijnsbijstand.

 

Precontractuele informatieplicht inzake ereloon ten aanzien van consumenten

Strengere regels zijn opgenomen in boek XIV WER dat handelt over “marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep”.

Is de cliënt een consument (overeenkomstig artikel I.1.2° WER is de consument “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, ambachts- of beroepsactiviteiten vallen) dan is de informatieplicht van de advocaat verregaander.

Krachtens artikel XIV.3 zal ondermeer de totale prijs (ereloon en kosten) van de diensten moeten worden medegedeeld of als die prijs redelijkerwijze niet vooraf kan worden berekend de manier waarop de prijs moet worden berekend en desgevallend alle extra kosten.

Dit moet voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst en het leveren van prestaties geschieden op een duidelijke en begrijpelijke wijze.

De wet schrijft niet voor dat de mededeling van de informatie per se schriftelijk moet gebeuren.

Als de informatie schriftelijk wordt geleverd zal in geval van twijfel over de betekenis van een beding de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleren (artikel XIV.18).

Is er geen geschrift, dan rijst de vraagt, wie in geval van betwisting de bewijslast draagt.

Terwijl voor de algemene informatieverplichting vervat in artikel III.74 tot III.76 WER uitdrukkelijk voorzien is dat de onderneming de bewijslast draagt (artikel III.78), bevat het WER geen vergelijkbare bepaling in het boek XIV onder het hoofdstuk “algemene verplichting tot informatie aan de consument” (een vergelijkbare bepaling is wel opgenomen in de daaropvolgende hoofstukken inzake overeenkomsten op afstand of buiten de gebruikelijke plaats van beroepsuitoefening gesloten).

Evenwel kan terzake verwezen worden naar een recent arrest van het Hof van Cassatie, waar – ogenschijnlijk in algemene termen – werd geoordeeld dat uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de advocaat dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënt in te lichten, en niet dat laatstgenoemde het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven (Cass. 25 juni 2015, C.14.0382 F/4, www.juridat.be).

Dit laatste arrest werd weliswaar niet uitgesproken in een betwisting met betrekking tot de toepassing van het WER, maar wel met betrekking tot een geschil over een andere informatieverplichting van de advocaat.

 

Informatieplicht inzake juridische tweedelijnsbijstand

Overeenkomstig artikel III.1.8.1. van de Codex Deontologie voor Advocaten is de advocaat die geconsulteerd wordt door een cliënt en vermoedt of weet dat de cliënt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand, verplicht de cliënt hierover te informeren.

Een analoge verplichting is opgenomen in de deontologische codex van de OBFG voor de Frans- en Duitstalige advocaten van ons land.

Een cliënt beweerde dat zijn advocaat hem niet had ingelicht over het feit dat hij in aanmerking kwam voor juridische tweedelijnsbijstand, terwijl de advocaat betoogde dat hij vanaf de eerste consultatie mondeling zijn cliënt hierover had geïnformeerd.

Het hoger aangehaalde arrest van het Hof van Cassatie legde in die situatie de bewijslast en het bewijsrisico bij de advocaat.

Het ligt voor de hand dat ook in een ereloonbetwisting met een consument, dezelfde regel zal worden toegepast.

Dit leidt tot de onvermijdelijke gevolgtrekking dat om te bewijzen dat de advocaat voldaan heeft aan zijn informatieverplichtingen, het ten strengste aangeraden is dat hij deze informatie schriftelijk mededeelt.

 

En wat dan met de partijbeslissing?

Een kwestie die in deze context regelmatig te berde komt, is de vraag of door deze informatieverplichtingen de partijbeslissing, zoals voorzien in artikel 446ter van het Gerechtelijk Wetboek buiten spel wordt gezet.

Het Hof van Beroep te Antwerpen formuleerde het principe als volgt :

“Uit deze wetsbepaling volgt dat de vaststelling door een advocaat van het hem verschuldigde ereloon een bij wet erkende partijbeslissing is, zijnde de beslissing van een partij bij een overeenkomst waarbij is bedongen dat één van de contractpartijen (de advocaat) de inhoud van de rechten en plichten (het verschuldigde ereloon) van de andere partij (de cliënt) éénzijdig kan bepalen of wijzigen.” (Antwerpen, 1e kamer, 5 september 2011, inzake 2010/AR/2597, onuitg.).

Geen bepaling van het WER stelt expliciet, ook niet ten aanzien van consumenten dat de bij wet erkende partijbeslissing een ongeoorloofde wijze van bepaling van het ereloon zou zijn in een overeenkomst tussen de advocaat en de cliënt.

Wat blijft er echter nog overeind van de partijbeslissing?

Het a posteriori door de advocaat eenzijdig vaststellen van het ereloon lijkt alleszins niet meer mogelijk te zijn, want is niet in overeenstemming te brengen met de voorafgaandelijke informatieverplichting (H. Lamon, “Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht”, NjW 2015, 386).

Ook het eenzijdig karakter van de partijbeslissing wordt volledig uitgehold als de informatie over “de manier waarop de prijs wordt berekend” voorafgaandelijk moet worden medegedeeld, mededeling die als ze schriftelijk gebeurt ongetwijfeld deel gaat uitmaken van de dienstenovereenkomst tussen de advocaat en de cliënt, waarover het WER dan weer zegt dat ze “op duidelijke en begrijpelijke wijze” moet zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding, de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert.

Stafhouder Jo Stevens schrijft weliswaar dat de informatie over “de manier waarop de prijs wordt berekend” een uitleg kan zijn over en een verwijzing naar het stelsel van de partijbeslissing van artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek.

Hij voegt er echter aan toe : “Het komt er dus op aan de cliënt op voorhand duidelijk te informeren over de berekeningswijze van zijn ereloon, bv. wat de partijbeslissing inhoudt, of hoe tijdschrijven in concreto wordt toegepast, en welke controle daarop kan uitgeoefend worden door de cliënt, de Orde, de rechtbank, en welk taken en omstandigheden het finaal ereloon kunnen beïnvloeden” (Jo Stevens, Advocatuur. Regels & Deontologie, Antwerpen, Kluwer, 2015, voetnoot 3348).

Maar dit komt erop neer dat er geen ruimte meer overblijft voor een eenzijdige beslissing.

Er dient derhalve te worden geconcludeerd dat de partijbeslissing als wijze van vaststelling van het ereloon in het raam van de door het WER opgelegde informatieverplichtingen, enkel nog mogelijk blijkt voor professionele klanten, die niet op voorhand om informatie hebben verzocht over hoe het ereloon zou worden bepaald en met wie op dit vlak geen enkele afspraak zou zijn gemaakt.

 

Wat als de advocaat aan zijn informatieverplichtingen tekort schiet?

Administratieve en strafsancties zijn voorzien.

Het WER noch de deontologische voorschriften bevatten burgerlijke sancties.

Maar de niet-naleving van de verplichtingen of het falen in de bewijslast dat deze verplichtingen werden nagekomen, kan in geval van burgerlijke betwisting tot gevolg hebben dat de culpa in contrahendo wordt weerhouden, of de dwaling, of nog het louter ontbreken van enige rechtsgrond voor het opvorderen van een ereloon.

Zo oordeelde de Rechtbank van Eerste Aanleg in Gent onlangs dat een advocaat geen recht heeft op ereloon, wanneer daarover geen duidelijk voorafgaandelijk akkoord was, zodat er geen contractuele grondslag voorhanden is voor het innen van het ereloon (Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 27 oktober 2014, A.R. nr. 14/830/A, onuitg., geciteerd door H. Lamon “zonder duidelijke afspraken met cliënt geen ereloon voor de advocaat”, Juristenkrant 2015, nr. 304,7; vgl. Vred. Westerlo 23 juni 2015, R.W. 2015-16,437).

Opmerking plaatsen

X