Nieuws Rechtuit

De kameel die dromedaris werd: het bultige parcours van nieuwe vormen van advocatuur

Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies. Iedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Er is al enige tijd veel te doen over wat een advocaat zoal kan en mag doen. De Orde van Vlaamse Balies keurde onlangs een nieuw deontologisch reglement goed over wat ingewijden “de perimeter van het beroep” noemen. Het gaat dan over de vraag wat dat nu eigenlijk is, “advocaat zijn”. Het nieuwe artikel 11 van de deontologische code brengt in herinnering dat “het vertegenwoordigen, bijstaan en verdedigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies” de kerntaken van advocaat zijn. Dat is niet wereldschokkend, want dat had het Grondwettelijk Hof al in een arrest van 23 januari 2008 erkend. De prangende vraag was of een advocaat ook andere dingen mag doen. Lesgever zijn bijvoorbeeld, of discotheekuitbater? Het nieuwe artikel 11bis van de code geeft een antwoord. Het mag in principe allemaal. De advocaat moet zijn stafhouder wel minstens één maand op voorhand omstandig en gedetailleerd informeren over die andere activiteit en hij moet bij de uitoefening van die activiteit steeds de integriteitsbeginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid naleven. In sommige gevallen is zelfs een voorafgaande mededeling niet vereist (bijvoorbeeld academische opdrachten aan een rechtsfaculteit of functies van arbiter, secretaris van een scheidsgerecht of bemiddelaar) en soms is de nevenactiviteit altijd verboden (zo mag de advocaat bijvoorbeeld geen wapens verhandelen, ook al beschikt hij over de vereiste licenties). De regeling wil minder beperkingen opleggen aan de advocaat, maar dat ontslaat hem niet van zijn verplichting om altijd de integriteitsbeginselen te respecteren.

Niet alleen de deontologie werd afgestoft, want ook de wetgever wilde zorgen voor vernieuwingen in het advocatenberoep. Met de zogenaamde waterzooiwet van 18 juni 2018 heeft de wetgever  met de “collaboratieve advocaten” een nieuw soort advocaat in het leven willen roepen, waarvan art. 1738 Ger.W. de kenmerken weergeeft: hij beschikt over “een exclusief en beperkt mandaat van bijstand en adviesverlening teneinde een minnelijk akkoord te bewerkstelligen” (in mensentaal: enkel adviseren, nooit procederen). De totstandkoming van de wet kende een nogal hobbelig parcours, waarbij ook bepaalde advocaten (ook Ordes) met gretigheid de wetgever aanporden om deze nieuwe soort van advocatuur in de wet in te schrijven. Collaboratieve advocaten krijgen een wettelijk monopolie op het voeren van collaboratieve onderhandelingen.

Volgens het nieuwe art. 1739 § 2 Ger.W. moeten de OVB en de Franstalige tegenhanger OBFG een lijst opstellen van collaboratieve advocaten. De wetgever voegt daar echter laconiek aan toe dat een “gezamenlijke paritaire commissie” de voorwaarden moet bepalen om op die lijst te komen (opleiding, vorming, etc.). Dat klinkt misschien eenvoudig, maar dat bleek al snel niet zo te zijn. De wetgever vergat te preciseren (en werd er ook door niemand aan herinnerd) of die commissie zelf rechtspersoonlijkheid heeft en ook als een autonoom orgaan moet worden beschouwd. In geval van onduidelijkheid durft een rechtgeaard jurist dan al eens naar de voorbereidende werken te kijken, op zoek naar wat de wetgever precies bedoelde. Dat zorgt voor nieuwe problemen, want nu blijkt dat de Nederlandse tekst het omgekeerde zegt van de Franse (kijkt u zelf maar na: Parl.St., zitting 2017-18, Doc 54, 2919/001, p.261). Tja, zo wordt een kameel wel écht een dromedaris. Zeg nu zelf, een gemengde commissie moet voorwaarden bepalen, maar is niet bevoegd om ze op te leggen. Het zullen dus de algemene vergaderingen zijn van respectievelijk de OVB en de OBFG die de criteria zullen vaststellen, maar omdat de wetgever tegelijkertijd ook bepaalt dat de “gezamenlijke paritaire commissie” de voorwaarden moet bepalen, lijkt de cirkelredenering rond. De al dan niet door sommigen gewilde onduidelijkheid maakt dat intussen allerhande specialisten zich over deze creatieve wetgeving hebben mogen buigen. En ja, het maakt ook dat er voorlopig nog geen collaboratieve onderhandelaars zijn, nu eerst de institutionele knopen moeten worden ontward.

Jammer van de vertraging, maar verder niets aan de hand zal u dan misschien denken. Toch weer niet, want er doemt meteen een ander Belgisch spook op: de situatie is sterk verschillend in het noorden en het zuiden van het land. In Vlaanderen zijn er geen collaboratieve advocaten, terwijl de OBFG er meer dan 500 heeft. Eigenlijk had, want vanaf 1 januari mag enkel de “gezamenlijke paritaire commissie” beslissen wie collaboratief onderhandelaar is, terwijl de wetgever geen overgangsmaatregelen heeft voorzien. Zo, u heeft het begrepen: we zijn weer bij het uitgangspunt.

De nieuwe deontologische regel lijkt stabieler dan de nieuwe wettelijke bepaling. Misschien kan de wet nog snel gerepareerd worden. Dat vergt wat legistieke loodgieterij, maar daarvoor zal wat collaboratief recht niet voldoende zijn.

Hugo LAMON

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse BaliesIedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Opmerking plaatsen

X