Advocaten Magistratuur Nieuws

Ga niet meer naar de rechtbank, maar los het zelf op

Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies.
Iedere woensdag maakt hij op Jubel een beschouwing over justitie.

Vorige week keurde het parlement  de zogenaamde “waterzooi-wet” goed, die de “alternatieve vormen van geschillenoplossing” moet bevorderen. Het is daarbij de bedoeling dat er meer gebruik wordt gemaakt van bemiddelen en van collaboratief onderhandelen.

Ons land kent nu al het systeem van bemiddeling, waarbij partijen zelf hun geschil trachten op te lossen. Een onderhandelde oplossing, waarbij rekening wordt gehouden met ieders belangen (en niet zozeer met hun juridische rechten) zorgt – zo zeggen de voorstanders – voor meer duurzame oplossingen. Wanneer dit gebeurt door een erkend bemiddelaar, kan de rechter aan de bemiddelde oplossing zelfs een uitvoerbare kracht verlenen. Dat is een wat gekke situatie, want ons recht voorziet in geen enkele erkenningsvoorwaarde voor een arbiter (die het geschil tussen partijen zelfs definitief beslecht), maar toch legt de wetgever allerhande voorwaarden op aan de erkenning van bemiddelaars (die enkel de partijen zelf bijstaan). Bijna nergens ter wereld is dat zo en in het buitenland wordt dit soms afgedaan als een vorm van Belgisch surrealisme.  De nieuwe wet zal trouwens bijkomende voorwaarden opleggen aan een bemiddelaar. Hij moet nu reeds onafhankelijk en onpartijdig zijn, maar zal nu ook bijkomend blijk moeten geven van neutraliteit. De praktijk zal leren wat dat laatste begrip precies toevoegt aan de reeds bestaande criteria.

De nieuwe wet wil dus nog meer inzetten op bemiddeling. Om zeker te zijn dat iedereen weet wat dat betekent, wordt er nu in het gerechtelijk wetboek een definitie opgenomen (art. 1723/1 Ger.W.: “de bemiddeling is een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken” – zoiets kan enkel uit de koker van juristen komen). Gek toch dat de wet dat moet definiëren, terwijl er nergens staat wat pakweg arbitrage is of een procedure.

Partijen moeten dus, met behulp van een bemiddelaar, hun geschil zelf oplossen. De nu bestaande beperking dat enkel kan worden bemiddeld over zaken waarover een dading kan worden aangegaan, wordt opgeheven voor vermogensrechtelijke geschillen. Regels van openbare orde, waarvan toch wordt gezegd dat ze fundamenteel zijn voor het rechtssysteem, moeten dus niet langer worden nageleefd bij bemiddeling.

De rol van de bemiddelaar wordt door de nieuwe wet ook uitgebreid. In de huidige stand  van de wetgeving is de  bemiddelaar gebonden door het beroepsgeheim. Op dit ogenblik voorziet art. 1728 § 1 Ger.W. dat de bemiddelaar “de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar (mag) maken”. De wet verwijst daarbij uitdrukkelijk naar het door art. 458 van het strafwetboek gewaarborgde beroepsgeheim. De nieuwe wet voorziet echter een andere regeling en heeft het nu over een “vertrouwelijkheidsplicht”, die met schriftelijke instemming van de partijen “en binnen de grenzen die zij bepalen” kan worden opgeheven. Bij een oppervlakkige lezing zou men dus denken dat het beroepsgeheim wordt vervangen door een vertrouwelijkheidsregeling, maar de nieuwe wet blijft wel stellen op het einde van art. 1728 §2 Ger.W. dat artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing is op de bemiddelaar. De wetgever lijkt hier, allicht onbewust, partij te hebben gekozen in de discussie over de draagwijdte van het beroepsgeheim. Is dit nu van openbare orde (wat betekent dat ook de cliënt er geen afstand van kan doen) of kadert het in een contractuele regeling (en wordt de omvang van het beroepsgeheim door de partijen zelf bepaald)? De nieuwe waterzooi-wet zou, alhoewel dat misschien niet de bedoeling is, dus wel eens een ver strekkend gevolg kunnen hebben in het principiële debat over de omvang van het beroepsgeheim.

Tot slot doet de waterzooi-wet een nieuwe functie ontstaan: de “collaboratieve advocaten”. Zij verbinden er zich toe om te onderhandelen “en tijdens de collaboratieve onderhandelingen geen geding op te starten of voort te zetten” en zijn verplicht zich terug te trekken “in geval de onderhandelingen mislukken”. Die nieuwe vorm van advocatuur is voorbehouden aan de advocaat die “ingeschreven staat op de lijst van de collaboratieve onderhandelaars” opgesteld door OVB en OBFG, waarbij het nieuw art. 1739 § 2 tweede lid Ger. W. stelt : “alleen advocaten die een bijzondere opleiding hebben genoten, de vereiste erkenning van collaboratieve advocaat hebben toegekend gekregen en het reglement voor collaboratieve advocaten hebben onderschreven, kunnen opgenomen worden in deze lijst”. Er zijn in Vlaanderen nog geen erkende opleidingen, evenmin erkenningen en ook nog geen reglement. Er zal dus op die punten nog veel collaboratief moeten onderhandeld worden tussen OVB en OBFG.

Hugo LAMON

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse BaliesIedere woensdag maakt hij op Jubel een beschouwing over justitie.

Lees hier alle artikels van ‘LAMON op woensdag’.

Opmerking plaatsen

X