Rechtuit

Gerechtsdeurwaarders zijn geen rechters

Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies.
Iedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Het is van alle tijden dat niet iedereen stipt zijn schulden betaalt. Wanneer dat niet spontaan gebeurt, kan de schuldeiser met dwangmaatregelen de betaling opeisen. Daarvoor was tot enige tijd geleden altijd de tussenkomst van de rechter nodig. Voor wie het niet meer goed weet in deze sterk veranderende tijden: de rechter is de onafhankelijke derde die nagaat of de schuldeiser wel gelijk heeft en, na onderzoek van de rechten van de partijen, dan met een vonnis ervoor zorgt dat de in het gelijk gestelde schuldeiser zijn centen kan gaan opeisen. In het juridisch jargon heet dat “een uitvoerbare titel” verlenen. Het klinkt voor juristen wat schools, maar helaas is het niet overbodig die basisbeginselen in herinnering te brengen.

Sinds Potpourri I vindt de wetgever die controle door de rechter geen kerntaak meer van justitie, tenminste wanneer zowel schuldeiser en schuldenaar professionelen zijn (en dus geen consumenten). De wetgever deed dat niet echt met principiële motieven, maar wilde gewoon de toestroom van zaken voor de rechtbank verminderen. Bij vorderingen die niet betwist worden, zou de uitvoerbare titel niet langer door de rechtbank worden verleend, maar door de gerechtsdeurwaarder. Er werd een nieuwe procedure in het leven geroepen voor de invordering van onbetwiste schulden (IOS). Sommigen vonden dit bedenkelijk, met het argument dat je dan de kat bij de melk zet. Het Grondwettelijk Hof had daar in een arrest van 31 mei 2018  geen problemen mee, omdat gerechtsdeurwaarders als ministeriële ambtenaren niet enkel rekening mogen houden met de belangen van hun opdrachtgevers (de onbetaalde schuldeisers) maar ook met deze van de andere partijen. Dat klinkt allemaal mooi op papier, maar de vraag is of dat ook in de dagdagelijkse realiteit wel altijd het geval is. Zo kan men zich de vraag stellen of bij de afhandeling van de IOS-vorderingen het digitaal programma wel juiste berekeningen maakt. Er blijken nogal wat vragen te zijn over de intresten en schadebeding, die bij wet geplafonneerd zijn. Op welk bedrag wordt dat berekend wanneer er tussentijdse betalingen zijn verricht?

De IOS-procedure wordt in diverse kringen bejubeld: de rechtbanken (hoera, minder werk), de minister van justitie (hoera, efficiëntere justitie) en de gerechtsdeurwaarders (hoera, een extra nieuw monopolie). De incasso-advocaten treuren, om evidente redenen (brute pech, minder gemakkelijk werk). Het enthousiasme brengt sommigen in de politieke wereld ertoe om te pleiten voor de uitbreiding van het IOS-systeem tot B2C-vorderingen (tussen een ondernemer en een consument) en en zelfs meer C2C- vorderingen (dus tussen particulieren onderling). De argumenten daarvoor zijn soms van een verterende eenvoud: schulden moeten niet “gejuridiseerd” worden en bij procedures voor de rechtbank zou alleen de “schuldindustrie” de winnaar zijn. En wie kan nu tegen efficiëntie zijn en een (vermeend) goedkoper alternatief voor die oubollige rechtbank? Ik verzin dit écht niet.

Wie bij al die euforische berichten de vraag durft te stellen of dit wel in overeenstemming is met het Europees recht kan rekenen op honende blikken. Wat heeft een niet betaalde gsm-factuur, een onbetaald fitnessabonnement of achterstallige ziekenhuisfacturen nu met Europa te maken? Veel meer dan al die vrolijke verdedigers van de “blijf weg van de rechtbank”-strategie ook maar kunnen vermoeden.

Het Europees Hof van Justitie heeft er in een heleboel arresten op gewezen dat de consument beschermd moet worden tegen contractsvoorwaarden die kennelijk onevenwichtig zijn en aan de schuldeiser te veel rechten toekennen. Europa beschermt de consument en verplicht de rechter om dit na te gaan via de leer van de “onrechtmatige bedingen”. Het Hof van Justitie vindt dat een consument een effectieve bescherming moet hebben en de rechter dat zelfs uit eigen initiatief moet controleren. In Nederland heeft de Raad voor de rechtspraak dan ook een 65 pagina’s tellende leidraad opgesteld over wat de rechter allemaal ambtshalve moet controleren. Wie bijvoorbeeld de arresten C-618/10, C-49/14, C-448/17, C-176/17 en C-147/16 zou lezen – iets waar de “blijf weg van de rechtbanken”-adepten duidelijk geen zin in hebben – weet dat die controle niet door een griffier, een ambtenaar of een gerechtsdeurwaarder kan gebeuren maar enkel door een onafhankelijke overheidsrechter.

De IOS-procedure uitbreiden tot consumentengeschillen is deze vaste rechtspraak van het Hof van Justitie negeren. Het miskent ook de essentiële rol van de rechter. Wie beweert dat ook de gerechtsdeurwaarders die controles kunnen uitvoeren en dus dezelfde waarborgen bieden als de rechter, geeft aan het Europees consumentenrecht niet te begrijpen en nog minder de dwingende interpretatie die het Hof van Justitie daaraan geeft. Gerechtsdeurwaarder zijn geen rechters en kunnen dat ook nooit worden.

Hugo LAMON

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse BaliesIedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Lees hier alle artikels van ‘LAMON op woensdag’.

1 Comment

  • Goede morgen,

    Om de lezers van Jubel een volledig beeld te schetsen over deze materie, lijkt het me verstandig om ook de gerechtsdeurwaarders hierover een forum te bieden.

    Is dat mogelijk ?

    Peter Vanremoortele

    Vriendelijke groeten

Opmerking plaatsen

X