Nieuws Rechtuit

Hoe zit het eigenlijk met de bazen van de rechters?

Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies.
Iedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Het was al even geleden dat debatten in de plenaire zitting van het parlement nog live op TV en het internet te volgen waren. De kamer werd plots weer het huis van de democratie. De uitvoerende macht (de regering) heeft nochtans al lang de overhand op het parlement. De recente regeringscrisis leidde (toch voorlopig) tot een minderheidsregering, waarbij grondwetsspecialisten een aardige kluif hebben aan de vraag of die afgeslankte ploeg nu al dan niet het vertrouwen moet vragen aan het parlement. En eens te meer blijkt dat recht – ook en niet in het minst de Grondwet – tot divergerende interpretaties kan leiden in functie van de gewenste stelling. De tussenkomsten van de grondwetsspecialisten verschillen niet van de pleidooien van advocaten.

In de clash tussen de uitvoerende en de wetgevende macht blijft het stil rond de grondwettelijk derde macht : de rechters. Volgens de Grondwet zijn de rechters “onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden”. Wat moet dat dan betekenen? Nu sommigen twijfelen aan het nut van supranationale normen en soft law is het misschien provocerend om eraan te herinneren dat die onafhankelijkheid ook in internationale teksten wordt uitgewerkt. In aanvulling op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens hebben de Verenigde Naties in 1985 de “Basic Principles on the Independence of the Judiciary” aangenomen. In 1989 werden verder ook ”the Procedures for effective implementation of the UN Basic Principles on the Independence of the Judiciary” aangenomen. In datzelfde jaar is onder de vlag van de VN verder de “Draft Universal Declaration on the Independence of Justice” opgesteld. In 2006 werden de Staten bij resolutie opgeroepen om de “Bangalore Principles of Judicial Conduct” in acht te nemen en vier jaar later volgde de “Measures for the Effective Implementation of The Bangalore Principles of Judicial Conduct”. De lijst is niet eens alomvattend. Het valt te hopen dat die onafhankelijkheid van de magistratuur zoals die in al die internationale niet bindende normen mooi zijn omschreven nu ook niet in vraag zal worden gesteld, zeker omdat tijdens de recente politieke crisis gebleken is dat de twee andere machten op zoek zijn naar een nieuw evenwicht in hun onderlinge verhouding.

Ons land had lange tijd een reputatie van politieke benoemingen in de magistratuur, al werd steeds gezegd dat die wijze van benoemen geen invloed had op de wijze van rechtspreken in individuele gevallen. De maatschappelijke beroering rond de zaak Dutroux zorgde ervoor dat sindsdien de Hoge Raad voor de Justitie nu rechters voordraagt en daarbij de beleidsruimte van de benoemende minister van justitie zeer beperkt is geworden.

De Hoge Raad voor de Justitie is recent begonnen aan een hele reeks voordrachten van de bazen van de rechterlijke macht, die in het jargon “de korpschefs” heten. De Hoge Raad voor de Justitie verwacht van die korpschefs onder meer managementkwaliteiten. Om dat te bewijzen moeten de kandidaten ook een beleidsplan opstellen. Het is alleen jammer dat die plannen niet kunnen worden geraadpleegd en er dan ook geen enkel publiek debat over kan worden gevoerd. Waarom niet minstens de krachtlijnen van het beoogde beleid delen met het publiek? Het zou ervoor kunnen zorgen dat er ook meer begrip is voor de uitdagingen en moeilijkheden waar de rechterlijke macht voor staat.

En kan de Hoge Raad voor de Justitie misschien ook wat meer duidelijkheid verschaffen over haar keuzes? In Brusselse baliemiddens is er ongerustheid ontstaan toen deze week de Hoge Raad een Eerste Voorzitter voor het tweetalig Hof van Beroep van Brussel heeft voorgedragen die volgens doorgaans betrouwbare bronnen geen Nederlands zou verstaan. De wet legt geen tweetaligheid op, maar de vraag is natuurlijk of de minstens passieve kennis van de twee talen voor het Hof van beroep in Brussel geen kwaliteitsvereiste zou moeten zijn. Zal de minister van justitie in deze voor de uitvoerende macht precaire tijden zonder  meer tot de benoeming overgaan, indien zou blijken dat de voorgedragen kandidaat effectief geen Nederlands zou verstaan?

De vraag overstijgt de individuele situatie. De burgers én de democratie hebben recht op een sterke rechterlijke macht, die de andere machten tot de orde moet kunnen roepen wanneer de democratie erom vraagt. De tijd dat die benoemingen zich in een (zelfs objectieve) schemerzone afspeelden zou achter ons moeten liggen. Justitie heeft er belang bij dat er meer maatschappelijk debat is. Dat kan de legitimiteit van de magistratuur enkel maar ten goede komen.

Hugo LAMON

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse BaliesIedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

In de onderstaande videoboodschap van mr. Lamon kadert hij de column van deze week, en nodigt daarbij alle belangstellenden uit tot verdere reflectie en maatschappelijk debat.

1 Comment

  • De bekommernis over de talenkennis van de voorgedragen kandidate voor het ambt van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel is zeker terecht. Alleen mag het minstens verwondering wekken dat een kennelijk onwettige vacant verklaring niet eens hinderlijk is gebleken: de opvolg(st)er van de huidige eerste voorzitter -die Franstalig gediplomeerd is- diende krachtens wetsbepaling noodzakelijk titularis te zijn van een Nederlandstalig diploma. Is dit aan de bewaker van de wet kunnen ontgaan ?

Opmerking plaatsen

X