Algemeen Fiscalisten Nieuws Notarissen

De voorzorgvolmacht: waar rekening mee houden voor het te laat is?

“Regel tijdig je zaken, verlicht een zorg voor later” 1
Geschreven door Johan Verstraete

Krijtlijnen voor de (voor-)zorgvolmacht [deel 3]  

De inhoud van de voorzorgvolmacht

A. Bedoeling om te gelden als buitengerechtelijke bescherming

Uit de akte moet duidelijk de bedoeling van de lastgever blijken dat de volmacht uitwerking krijgt als de lastgever wegens zijn gezondheidstoestand (al was het tijdelijk) geheel of gedeeltelijk niet in staat is om zelf zijn belangen behoorlijk waar te nemen [1] of, in voorkomend geval, als hij zich in een staat van verkwisting[2] bevindt. De lastgever doet er wellicht goed aan om te bedingen op welke wijze de toestand van wilsonbekwaamheid zal vastgesteld worden maar zonder dat de lasthebber de naleving van deze procedure ten aanzien van derden zal moeten bewijzen. De lasthebber beoordeelt zelf het tijdstip waarop de lastgever komt te verkeren in een toestand als bedoeld in art. 488/1 of 488/2 (zie verderop). Zijn beoordeling is tegenstelbaar aan derden te goeder trouw.[3] De lastgeving moet dus geenszins eerst uitvoerbaar worden verklaard door de vrederechter.[4]

Niets belet de lastgever te bedingen dat de lastgeving al onmiddellijk aanvangt en zal doorlopen als de toestand van wilsonbekwaamheid of verkwisting heeft opgehouden te bestaan.

B. De akte van lastgeving is beperkt tot daden van vertegenwoordiging in verband met goederen

De lastgeving regelt alleen het vermogensbeheer [5] en kan als dusdanig geen maatregelen treffen die verband houden met de persoon van de lastgever.[6] Die beperking kan tot conflicten leiden als de rechtshandeling een gemengd karakter heeft en dus zowel de persoon als het vermogen van de lastgever aanbelangen. Zo heeft een huurcontract voor een woning of een kamer in een rusthuis niet enkel goederen tot voorwerp, maar houdt het tegelijk een keuze in van een nieuwe woonplaats. In dergelijke gevallen moet in concreto onderzocht worden wat de impact van deze handeling is op beide vlakken. De lastgeving zal dan enkel kunnen aangewend worden “ingeval de rechtshandeling kennelijk het vermogen van de betrokkene overwegend aanbelangt”. [7] SWENNEN merkt terecht op dat dit geen rechtszeker criterium is.[8] Bij twijfel zal de lasthebber zich best wenden tot de Vrederechter.

C. Algemene of bijzondere volmacht

De omvang van een lastgeving kan algemeen (onbeperkt) zijn met het oog op de regeling van alle zaken van de lastgever, of bijzonder (beperkt), bijvoorbeeld beperkt tot het beheer van een portefeuille. Wenst de volmachtgever voor zichzelf een buitengerechtelijke bescherming op punt te stellen en zo de aanstelling van een bewindvoerder over zijn vermogen zoveel als mogelijk vermijden dan zal hij de volmacht zo ruim mogelijk (laten) opstellen. Daarom wordt doorgaans een algemene volmacht verleend zodat – binnen de wettelijke perken – alle vermogensrechtelijke zaken van de lastgever, onroerende transacties incluis, kunnen geregeld worden.

Sommige rechtshandelingen vereisen echter een uitdrukkelijke en bijzondere volmacht. Dit is met name het geval voor schenkingen.[9] Hier moeten het voorwerp, de begunstigde en de modaliteiten van de schenking duidelijk vermeld zijn. Men neemt echter aan dat dit niet al te rigide moet opgevat worden zodat het volstaat dat deze elementen van de schenking bij bijzondere volmacht duidelijk bepaalbaar zijn.[10] Ook voor bepaalde vennootschaps-akten zal een bijzondere volmacht noodzakelijk zijn. Deze bijzondere volmachten kunnen in de algemene voorzorgvolmacht opgenomen worden of het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke akte die dan wel moet voldoen aan de voorwaarden om te kunnen gelden als buitengerechtelijke bescherming.

Sommige andere rechtshandelingen kunnen gewoon niet bij volmacht gesteld worden omdat zij zo persoonlijk zijn dat vertegenwoordiging redelijkerwijs niet kan. Denken we bijvoorbeeld aan het opstellen van een testament, de eedaflegging, de toestemming tot een huwelijk …[11]

Bij het opstellen van de volmacht zal men rekening moeten houden met een aantal wettelijke interpretatieregels. Immers, een volmacht die in algemene bewoordingen is opgesteld (bijvoorbeeld: ‘volmacht om al mijn zaken te regelen’) omvat enkel daden van beheer (art. 1988 al. 1 B.W.).[12] Om daden van beschikking te kunnen stellen moet de volmachtdrager beschikken over een uitdrukkelijk mandaat (art. 1988 al. 2 B.W.).[13] Maar deze regel mag ook weer niet te strikt worden opgevat.[14] De vereiste van een uitdrukkelijk mandaat betekent dat uit de lastgeving duidelijk de wil van de lastgever moet blijken dat het mandaat beschikkingsdaden niet uitsluit.[15] Het betekent geenszins dat de lastgever alle gewenste daden van beschikking moet opsommen en uitdrukkelijk aanhalen.[16] Het komt ons voor dat een al te restrictieve interpretatie van de voorzorgsvolmacht niet op haar plaats is vermits men toch mag uitgaan van de bedoeling van de lastgever en de voorkeur van de Wetgever zelf[17] om met deze volmacht, in de mate van het mogelijke, een zelf geregeld beschermingsstatuut te creëren en zo de tussenkomst van een bewindvoerder en de vrederechter zoveel mogelijk te vermijden.

Schiet de lastgeving tekort om een bepaalde rechtshandeling te verrichten dan zal voor het stellen van die rechtshandeling alsnog de aanstelling van een bewindvoerder noodzakelijk zijn tenzij de lastgever op dat ogenblik nog bekwaam is om voor deze rechtshandeling zelf op te treden.[18]

De auteurs zijn echter wel van oordeel dat de voorzorgvolmacht op meerdere punten verschilt van een klassieke lastgeving in deze zin dat de opdracht van de lasthebber in casu verder reikt dan het vertegenwoordigen van de lastgever bij bepaalde rechtshandelingen.[19] Rekening houdend met de bedoeling van de wet is de lasthebber evenzeer een conventionele zaakwaarnemer in de zin van de artikelen 1372 e.v. B.W. DE WULF stelt het zo: ‘Hij staat in voor de vermogensbelangen van de te beschermen persoon en moet, zo nodig, initiatieven nemen die verder reiken dan zonder meer optreden in naam en voor rekening van de lastgever bij de in de akte vermelde rechtshandelingen.’[20]

De lastgever kan de lasthebber geen (bijkomende) rechterlijke controle opleggen om bepaalde rechtshandelingen te stellen omdat dit afbreuk zou doen aan het informele karakter van de maatregel.[21] Dit belet niet dat tijdens de uitvoering van het mandaat beroep kan worden gedaan op de tussenkomst van de vrederechter die, ambtshalve of op verzoek, vormvereisten kan opleggen of andere maatregelen kan nemen in het belang van de lastgever.[22]

De lastgeving kan ook niet onherroepelijk bedongen worden in deze zin dat de vrederechter te allen tijde kan tussenkomen om (geheel of gedeeltelijk) een einde te stellen aan de lastgeving.[23]

Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer de lastgever de echtgenoot aanduidt als lasthebber.[24] Zijn de echtgenoten gehuwd onder een stelsel van gemeenschap dan moet de volmacht niet aangewend worden voor rechtshandelingen die vallen onder het concurrentieel bestuur. De andere echtgenoot kan dan gewoon eigenmachtig optreden, weliswaar in het belang van de huishouding (art. 1416 B.W.). Voor rechtshandelingen waarvoor de lastgever exclusief bevoegd is (zoals het beheer over zijn eigen vermogen) of voor rechtshandelingen die vallen onder het gezamenlijk bestuur (zoals beschikkingsdaden over gemeenschappelijke onroerende goederen)[25] is de volmacht wel nodig. Maar voor echtgenoten, zowel deze gehuwd onder scheiding van goederen als deze gehuwd onder een gemeenschapsstelsel, duikt al gauw het gevaar op voor tegenstrijdigheid van belangen. Bijvoorbeeld in verband met de bijdragen in de lasten van de huishouding. Echtgenoten (en wettelijk samenwonenden) moeten bijdragen in de lasten van de huishouding in verhouding tot hun mogelijkheden.[26] Hoe wordt deze bijdrage concreet bepaald? Men kan wel verwijzen naar het bestaande bestedingsgedrag – op zich reeds een vaag criterium – maar hoe zal deze verhouding vastgesteld worden wanneer de mogelijkheden van de partijen in de toekomst wijzigen? Zal hiervoor in de praktijk beroep worden gedaan op een lasthebber ‘ad hoc’? Voor echtgenoten, gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen geldt daarnaast ook de regel dat wanneer een echtgenoot het beheer van zijn goederen aan de andere echtgenoot heeft gelaten, deze laatste slechts gehouden is tot het opleveren van de aanwezige vruchten en geen verantwoording verschuldigd is voor de vruchten die tot dan toe zijn gebruikt (art. 1467 B.W.). Deze regel blijft behouden wanneer de echtgenoot wordt aangeduid als lasthebber in het kader van een buitengerechtelijke bescherming. In tegenstelling tot de regel van de bijdragen in de lasten van het huwelijk kunnen de echtgenoten in hun huwelijkscontract hier wel afwijken van deze wettelijke regeling en zo terugvallen op de normale verantwoordingsplicht van de lasthebber.

Wordt een derde aangeduid als lasthebber met een algehele bevoegdheid over het beheer van het vermogen dan heeft deze in beginsel dezelfde machten als deze welke de echtgenoot zelf had toen hij nog wilsbekwaam was. Dit heeft onder meer tot gevolg dat deze derde, net als de andere echtgenoot, de bevoegdheid heeft om het gemeenschappelijk vermogen te besturen overeenkomstig artikel 1416 B.W. (concurrentieel bestuur) en het eigen vermogen van de echtgenoot-lastgever exclusief kan besturen. Dit kan als zeer hinderlijk worden aangevoeld door de andere echtgenoot (en de overige gezinsleden). In deze veronderstelling is het wellicht goed om eventueel voorwaarden op te leggen aan het handelen van de lasthebber en de lastgeving zo op te stellen dat deze lasthebber de toestemming van de andere echtgenoot zal nodig hebben hetzij voor alle handelingen van concurrentieel (of exclusief) bestuur, of minstens voor een reeks zwaarwichtige handelingen die onder de beschikkingsbevoegdheid van de lasthebber vallen.[27] In voorkomend geval zal men aan deze voorwaarden enkel een interne werking verlenen (zie hierna).

Merk op dat de andere echtgenoot ook de mogelijkheid heeft beroep te doen op de zogenaamde ‘gerechtelijke indeplaatsstelling’ voorzien in art. 220 § 2 B.W. Indien een echtgenoot in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, geen lasthebber heeft aangesteld of geen wettelijke vertegenwoordiger heeft aangeduid, kan de andere echtgenoot op grond van deze bepaling aan de familierechtbank vragen om in zijn plaats te worden gesteld voor de uitoefening van al zijn bevoegdheden of een gedeelte ervan. Het artikel is breed geformuleerd. Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het gaat om eigen of gemeenschappelijke goederen van de wilsonbekwame echtgenoot, noch naargelang het gaat om beheers- of beschikkingsdaden. Er wordt aangenomen dat de echtgenoot niet via gerechtelijke indeplaatsstelling beschikkingen om niet kan verrichten.[28] Op deze bepaling kan geen beroep worden gedaan indien de echtgenoot een lasthebber heeft aangesteld of een wettelijke vertegenwoordiger heeft. Toch aanvaardde men reeds onder de oude versie van dit artikel dat wanneer de echtgenoot zelf tot lasthebber werd aangeduid, deze alsnog een indeplaatsstelling kan aanvragen, enerzijds om de per definitie herroepelijke lastgeving[29] te vervangen door een rechterlijke machtiging en anderzijds om gemachtigd te kunnen worden voor aangelegenheden die niet in de lastgeving werden opgenomen.[30] De indeplaatsstelling kan m.i. ook gevraagd worden zelfs al werd een bewindvoerder aangeduid door de Vrederechter. Deze bewindvoerder is immers geen wettelijke vertegenwoordiger. Het is in dit geval maar de vraag of de familierechtbank snel geneigd zal zijn om met deze maatregel het beheer van de aangestelde bewindvoerder te doorkruisen.

D. Beginselen die de lasthebber moet in acht nemen bij de uitvoering van de lastgeving

In de overeenkomst van lastgeving kunnen een aantal beginselen worden opgenomen die de lasthebber bij de uitoefening van zijn opdracht moet in acht nemen (art. 490 al. 3 B.W.) zoals de wens om bij wijze van successieplanning bepaalde goederen te schenken met behoud van de gelijkheid tussen de kinderen, de volgorde die moet gerespecteerd worden bij verkoop van de onroerende goederen, de verplichting om periodieke beheerrekeningen voor te leggen aan de aangeduide vertrouwenspersoon of voorafgaand advies of toestemming te vragen van de vertrouwenspersoon bij bepaalde gewichtige rechtshandelingen enz. Om de praktische aanwending van de zorgvolmacht niet in het gedrang te brengen wordt soms aangeraden om deze beginselen geen externe werking te verlenen zodat de wederpartij zich geen zorgen moet maken omtrent de correcte naleving van de opgelegde beginselen. [31] Er wordt voorgesteld om een onderscheid te maken tussen de (notariële) volmacht, bestemd voor extern gebruik, waarin ten aanzien van derden zo weinig mogelijk beperkingen worden opgelegd en een (onderhandse) lastgeving, enkel bestemd voor intern gebruik waarin afspraken worden gemaakt met de lasthebber over de voorwaarden waaronder bepaalde rechtshandelingen kunnen worden gesteld. Dit heeft ook het voordeel dat zaken die derden niet aanbelangen ook niet bekend worden gemaakt zodat hiermede ook de discretie gediend is.[32] BAEL raadt aan om in dit geval in de lastgevingsovereenkomst heel uitdrukkelijk te bepalen dat deze bepalingen niet tegenwerpelijk zijn aan derden (medecontractanten of wederpartijen) en dat, zelfs wanneer de derden daarvan kennis zouden hebben, de inhoud daarvan door hen niet moet worden geëerbiedigd en dat het niet respecteren daarvan nooit kan leiden tot de ongeldigheid van de rechtshandeling, noch tot enige aansprakelijkheid in hoofde van derden, noch tot enige aansprakelijkheid van de notaris die de notariële akte opstelt of in het algemeen van de professionele jurist die de akte opstelt.[33] Dit laatste blijft o.i. delicaat. De notaris heeft een informatie- en adviesplicht. Gesteld dat de notaris weet heeft van de niet naleving van de opgelegde voorwaarden door de lasthebber, waardoor diens verantwoordelijkheid ten opzichte van de lastgever in het gedrang komt, dan moet de notaris m.i. de lastgever wijzen op zijn aansprakelijkheid maar zal hij toch zijn ambt niet mogen weigeren indien de wederpartij aandringt op de uitvoering van de overeenkomst.

Zolang de lasthebber wilsbekwaam is kan hij de opgelegde beginselen wijzigen. Dit moet dan wel schriftelijk gebeuren en ter kennis gebracht worden van de griffier of de notaris met het oog op de registratie in het C.R.L. (zie verderop). [34] Is de lastgever echter intussen wilsonbekwaam geworden dan neemt men aan dat de vrederechter, naar analogie met de regeling inzake het bewind,[35] de lasthebber kan ontslaan om welbepaalde beginselen in acht te nemen ingeval de omstandigheden sedertdien dermate gewijzigd zijn dat er ernstige twijfels rijzen omtrent de bedoeling van de beschermde persoon om deze beginselen in deze gewijzigde situatie nog in acht te nemen. [36]

Besluit

Het spreekt vanzelf dat nog tal van andere zaken in de lastgevingsovereenkomst kunnen opgenomen worden: zoals de personen die op de hoogte moeten gebracht worden van de rechtshandelingen die de lasthebber heeft gesteld, de eventuele vergoeding te betalen aan de lasthebber,[37] regelingen omtrent de controle over het beheer enz.[38] Bij het opstellen van de volmacht zijn er nauwelijks dwingende regels in acht te nemen[39] maar elke lastgevingsovereenkomst is maatwerk en moet goed overdacht uitgewerkt worden in overleg met de lastgever, rekening houdend met zijn wensen en zijn specifieke gezins- en vermogenssituatie.

[1] Wilsonbekwaam in de zin van art. 488/1 B.W.

[2] In de zin van art. 488/2 B.W.

[3] Art. 490/1 § 3 al. 1 B.W.

[4] F. SWENNEN, o.c., deel I, p. 570 nr. 22 – zie ook K. ROTTHIER, o.c., Not.Fisc.M. 2013/8 (erratum), p. 256.

[5] Art. 489 B.W.

[6] Het buitengerechtelijk beschermingsstatuut raakt dus niet aan de regels van de vertegenwoordiging van de beschermde persoon in verband met rechten die nauw verbonden zijn met de persoon, zoals bijvoorbeeld de Wet Patiëntenrecht (A. DEMORTIER en T. VAN HALTEREN, ‘La loi du 17 mars 2013 réformant le régime des incapacités – Principes et innovations en matière de mandat extra-judiciaire et de libéralités’, Rev.not.B., 2014, p. 391-432, inz. p. 426); – T. WUYTS, ‘Onbekwamen in het vermogensrecht’, in R. BARBAIX en N. CARETTE (eds.) Tendensen vermogensrecht 2014, Intersentia, Antwerpen (2014), p. 103 nr. 24. Er wordt evenmin geraakt aan de regels van het huwelijksvermogensrecht.

[7] Parl.St. Doc. 53, 1009/001, Artikelsgewijze toelichting, p. 37, art. 26.

[8] F. SWENNEN, o.c., deel I, p. 569 nr. 18; in dezelfde zin S. MOSSELMANS en A. VAN THIENEN, Actualia familierecht 2014-2015, nr. 16.

[9] Art. 931 en 933 B.W.; zie o.m. R. BARBAIX, Handboek Familiaal Vermogensrecht, Intersentia, Antwerpen (2016), p. 874 nr. 1479; – A. WYLLEMAN, ‘Buitengerechtelijke bescherming’ in P. SENAEVE, F. SWENNEN en G. VERSCHELDEN (eds.), Meerderjarige beschermde personen, Die Keure, Brugge (2014), p. 35 nr. 63. – E. BEGUIN et J. FONTEYN, ‘Le mandat de protection extrajudiciaire’, Rev.not.B. 2014, 477 en verwijzing in voetnoot (43) aldaar.

[10] In deze zin: A. WYLLEMAN, o.c., p. 35 nr. 63. Deze auteur geeft onder meer als voorbeeld dat volmacht wordt gegeven om telkens op nieuwjaarsdag een bedrag van 1.000 Euro aan elk kleinkind te schenken.

[11] Zie ook E. BEGUIN et J. FONTEYN, ‘Le mandat de protection extrajudiciaire’, Rev.not.B. 2014, p. 476.

[12] ‘Daden van beheer omvatten alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor het behoud en de niet-speculatieve vermeerdering in kapitaalkracht evenals voor de redelijke vruchtdraging van het beheerd vermogen’ (B. TILLEMAN, Lastgeving, A.P.R. reeks, E. Story-Scientia (1997), p. 152 nr. 303 onder verwijzing naar W. VAN GERVEN, Bewindsbevoegdheid, Brussel, Bruylant (1962), p. 77 nr. 47). Daarom zal in bepaalde omstandigheden het beheermandaat ook de bevoegdheid inhouden om goederen te verkopen, bijvoorbeeld wanneer het gaat om goederen die vatbaar zijn voor bederf of onderhevig zijn aan grote waardeschommelingen (B. TILLEMAN, o.c., p. 153 nr. 303).

[13] Art. 1988 al. 2 B.W. bedoelt alle akten van beschikking en niet enkel deze welke in het artikel uitdrukkelijk zijn vermeld (B. TILLEMAN, o.c., p. 152 nr. 303).

[14] R. DEKKERS en A. VERBEKE m.m.v. N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek Burgerlijk Recht, Deel III, Verbintenissen – Bewijsleer – Gebruikelijke Contracten, Intersentia, Antwerpen (2007), p. 779 nr. 1399.

[15] H. DE PAGE, Traité, T. V, p. 3690 nr. 392; – A. WYLLEMAN, o.c., p. 34 nr. 60 en voetnoot 97.

[16] H. DE PAGE, Traité, T. V, p. 3690 nr. 392; – A. WYLLEMAN, o.c., p. 34 nr. 60 en voetnoot 97; – J. BAEL, ‘De schenking onder de nieuwe wetgeving inzake bewind’, Vlanot, Vormingsnamiddag ‘Schenkingen’, Brussel 29 november 2016, p. 17.

[17] Zie over dit aspect o.m. F. SWENNEN, De meerderjarige beschermde persoon (Deel I), R.W. 2013-14, p. 564 nr. 4.

[18] A. WYLLEMAN, o.c., p. 34 nr. 61.

[19] C. DE WULF, o.c., T.Not. 2013, p. 261 nr. 9 hierin o.m. gevolgd door F. SWENNEN, o.c., p. 568 nr. 15 en T. WUYTS, ‘Onbekwamen in het vermogensrecht’, in R. BARBAIX en N. CARETTE (eds.) Tendensen vermogensrecht 2014, Intersentia, Antwerpen (2014), p. 103 nr. 24.

[20] C. DE WULF, o.c., T.Not. 2013, p. 261 nr. 9.

[21] F. SWENNEN, o.c., p. 570 nr. 24; – T. WUYTS, o.c., p. 107 nr. 30.

[22] Art. 490/2 § 2 B.W.; – T. WUYTS, o.c., p. 108 nr. 30.

[23] Art. 490/2 § 2 B.W. Werd de volmacht opgesteld tussen echtgenoten dan is dergelijke volmacht reeds op grond van art. 219 B.W. steeds herroepbaar.

[24] Volmachten tussen echtgenoten kunnen op grond van art. 219 al. 2 B.W. te allen tijde worden herroepen.

[25] Zie artt. 1418 en 1419 B.W.

[26] Respectievelijk art. 221 en 1477 § 3 B.W. Zie hierover ook C. DE WULF, o.c., T.Not. 2013, p. 270 nrs. 26-30

[27] Zie suggestie J. BAEL, o.c., p. 34 nr. 68; – zie ook C. DE WULF, o.c., p. 273 nr. 36.

[28] H. CASMAN en M. VAN LOOK, Huwelijksvermogensrecht, HUWV 17 (uitg. 1996), p. 129 met verwijzing naar o.m. M. PUELINCKX-COENE, ‘Vrijgevigheid, een privilege van gezonden van geest’, R.W., 1979-80, 512 en 506-509.

[29] Art. 219 al. 2 B.W.

[30] H. CASMAN en M. VAN LOOK, o.c., p. 129.

[31] Zie hierover o.m. J. BAEL, o.c., p. 35 nrs. 72 e.v. onder verwijzing naar C. CASTELEIN en J. DIERYNCK, Vermogensplanning voor en door beschermde personen. De nieuwe regeling na de wet van 17 maart 2013, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 38-41, nr. 28.

[32] J. BAEL, o.c., p. 36 nr. 74.

[33] J. BAEL, o.c., p. 35 nr. 72.

[34] F. SWENNEN, o.c., p. 569 nr. 17; – K. ROTTHIER, o.c., p. 185 nr. 14.

[35] Art. 499/1 § 3, al. 1 B.W.

[36] F. SWENNEN, o.c., p. 571 nr. 25; – T. WUYTS, ‘Onbekwamen in het vermogensrecht’, in R. BARBAIX en N. CARETTE (eds.) Tendensen vermogensrecht 2014, Intersentia, Antwerpen (2014), p. 107 nr. 30, voetnoot 79.

[37] Zie art. 1986 B.W. : ‘Lastgeving geschiedt om niet, tenzij het tegendeel is bedongen.’

[38] Zie o.m. T. WUYTS, ‘Onbekwamen in het vermogensrecht’, in R. BARBAIX en N. CARETTE (eds.) Tendensen vermogensrecht 2014, p. 107 nr. 30.

[39] J. BAEL, o.c., p. 24 e.v.

Schrijvers: erenotaris Verstraete en de heer Karl Ruts

Dit artikel is het derde deel in een zesdelige reeks van erenotaris Verstraete omtrent de voorzorgvolmacht. Lees ook deel 1 en deel 2.

Meer lezen over financiële zorgvragen? Bekijk de volgende uitgave: Financiële zorgvragen, in goede en kwade dagen

Opmerking plaatsen

X