Advocaten Boekhouders Fiscalisten Nieuws

Lenen bij de belastingplichtige is lenen bij een vriend?*

Geschreven door Tiberghien

In het kader van het Zomerakkoord werd – naast o.a. de verlaging van het tarief inzake vennootschapsbelasting – besloten om het stelsel van de moratorium- en nalatigheidsinteresten gevoelig te hervormen. Dit wetgevend ingrijpen zou zijn ingegeven om het tarief in lijn te brengen met de “economische realiteit”. Ook wordt er o.m. voorzien in de mogelijkheid om het tarief jaarlijks aan te passen. De belangrijkste wijziging is het verschil in tarief dat voortaan bestaat tussen nalatigheids- en moratoriuminteresten alsook de verplichte ingebrekestelling van de fiscus alvorens tot uitbetaling van moratoriuminteresten kan worden overgegaan.

1. Nalatigheidsinteresten

Wanneer een belastingplichtige een belastingschuld niet binnen de wettelijk gestelde termijn betaalt, zijn er nalatigheidsinteresten verschuldigd. Deze nalatigheidsinteresten worden principieel berekend op het onbetaalde deel van de aanslag, afgerond op het lagere tiental.

Sedert 1999 bedroeg de interestvoet 7% op jaarbasis, wars van enige fluctuatie van de wettelijke interestvoet.

Vanaf 1 januari 2018 wordt het tarief van de nalatigheidsinteresten jaarlijks – op basis van de evolutie van de lineaire obligaties op 10 jaar – vastgesteld op een percentage van minimaal 4% en maximaal 10%. Voor het kalenderjaar 2018 werd het tarief bepaald op 4%. Dit tarief is van toepassing op hangende geschillen, vanaf 1 januari 2018.

Deze interest wordt voor elke aanslag per kalendermaand berekend op de nog verschuldigde som, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vervaldag, hetzij vanaf de eerste dag van de maand volgend op de vorige betaling voor zover een som werd aangerekend op de hoofdsom van de schuld, en dit tot en met de laatste dag van de maand waarin de betaling door de belastingplichtige plaatsvindt (artikel 414, §1 WIB 92).

Deze aanpassing heeft betrekking op belastingen die worden bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92) en het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijke belastingen (aldus op de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting, de belasting van niet-inwoners, de voorheffingen, de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de spelen en de weddenschappen, de belastingen op de automatische ontspanningstoestellen, de belasting en de aanvullende belasting op de deelname van de werknemers in de winst of in het kapitaal van de vennootschap). De wijziging van het stelsel van de nalatigheidsinteresten vindt dan weer geen doorwerking naar de btw, noch naar de diverse rechten en taksen.

2. Moratoriuminteresten

a. Algemeen

De moratoriuminteresten bestaan als spiegelbeeld van de nalatigheidsinteresten. De Belgische Staat is moratoriuminteresten verschuldigd over de door de belastingplichtige ten onrechte betaalde belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten.

Net zoals het tarief van de nalatigheidsinteresten, bedroeg het tarief van de moratoriuminteresten t.e.m. 31 december 2017 7% per jaar.

Ook het stelsel van de moratoriuminteresten werd recent grondig hervormd én beperkt. Zo bedraagt het vaste tarief inzake moratoriuminteresten vanaf 1 januari 2018 steeds twee procentpunten minder dan de nalatigheidsinterest. Voor het kalenderjaar 2018 bedraagt het tarief 2%. Dit tarief is vanaf 1 januari 2018 van toepassing op lopende geschillen.

Moratoriuminteresten worden per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere tiental. De maand waarin de terugbetaling door de fiscus plaatsvindt, wordt niet meegerekend (artikel 418 WIB 92).

Revolutionair is dat deze interesten niet meer automatisch lopen, maar dat de belastingplichtige hierop enkel nog aanspraak kan maken “te rekenen van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte” (artikel 418 WIB 92). Deze voorwaarde is enkel van toepassing op de aanslagen die vanaf 1 januari 2018 worden ingekohierd.

b. Wat te verstaan onder een “geldige” ingebrekestelling?

Ter interpretatie van deze nieuwe regeling publiceerde de belastingadministratie op 12 januari 2018 een circulaire waarin ze specifieerde dat deze ingebrekestelling kan gebeuren onder de vorm van aanmaning bij gewone brief, van een bezwaarschrift (cfr. artikel 366 e.v. WIB 92) of een dagvaarding (cfr. artikel 1385undecies Ger.W.). De belastingadministratie spreekt klaarblijkelijk niet van een ‘verzoekschrift’. In de Memorie van Toelichting hanteert men de term ‘rechtsvordering’, waardoor wij durven aan te nemen dat de Administratie ook middels een verzoekschrift rechtsgeldig in gebreke kan worden gesteld.

Opmerkelijk is dat de fiscale Administratie in haar circulaire nog een voorwaarde toevoegt aan de wet door te stellen dat een ingebrekestelling bovendien pas geldig aan haar toegezonden kan worden “wanneer de termijn voor de terugbetaling verlopen is” (Circ. 2018/C/2 d.d. 12 januari 2018). De finale draagwijdte van deze voorwaarde lijkt onduidelijk en zou een kiem tot discussie kunnen vormen. In deze voorwaarde mag o.i. alvast nietgelezen worden dat moratoriuminteresten pas verschuldigd zouden kunnen zijn vanaf het ogenblik dat er een definitieve – administratieve, dan wel gerechtelijke – beoordeling zou zijn omtrent de verschuldigdheid van de belasting. Fiscale procedures durven in dit land vaak jaren aanslepen. In die optiek zou de belastingplichtige die vroegtijdig betaalt, weleens de favoriete kredietverstrekker van de Belgische Staat kunnen worden.

Overeenkomstig de letterlijke lezing van artikel 418 WIB 92 lijkt het noodzakelijk maar voldoende dat een belastingplichtige – na betaling van de door hem betwiste belasting – de fiscus geldig in gebreke kan stellen middels gewone brief, bezwaar, verzoek tot ambtshalve ontheffing of dagvaarding (of verzoekschrift). Dit blijkt ook uit het concrete voorbeeld dat in de voorbereidende werken m.b.t. dit wetgevend ingrijpen werd aangehaald: “Een belastingplichtige dient een bezwaar in met betrekking tot zijn personenbelasting. Dit bezwaar komt neer op een ingebrekestelling, de moratoriuminteresten vangen aan vanaf de eerste van de maand die volgt op de maand van de verzending van deze ingebrekestelling. Vervolgens loopt gedurende meerdere jaren de procedure voor verschillende rechtsinstanties en wordt de vraag aanvaard. Bijgevolg is de administratie gehouden om de betwiste belasting te ontheffen en deze terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten voor de periode van de eerste van de maand volgend op de ingebrekestelling tot het einde van de maand die de maand van de vereffening voorafgaat” (MvT Doc 54 2839/001, 125).

c. Wanneer is de Belgische Staat geen moratoriuminteresten aan de belastingplichtige verschuldigd?

In artikel 419 WIB 92 bepaalt de wetgever in welke situaties de Belgische Staat géén moratoriuminteresten verschuldigd is aan de belastingplichtige.

Indien de fiscus “redelijkerwijze” in de onmogelijkheid verkeert om de terugbetaling te voldoen, hoeft men niet langer moratoriuminteresten te betalen. Dit zou o.m. het geval zijn indien de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde niet gekend zijn bij de fiscus. De fiscus hoeft dan geen moratoriuminteresten te betalen over de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand, volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt, en dit tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, op voorwaarde dat deze ingebrekestelling nu wel de juiste gegevens zou bevatten (identiteit, bankgegevens).

Voormelde uitzondering is enkel van toepassing op de aanslagen die vanaf 1 januari 2018 worden ingekohierd.

3. Conclusie en enkele bedenkingen bij deze hervorming

Er rijzen ernstige vragen bij deze fundamentele hervorming van het stelsel van de nalatigheids- en moratoriuminteresten.

Dat het tarief van deze interesten moest worden aangepast aan “de economische realiteit” is begrijpelijk. Dat de moratoriuminteresten principieel twee procentpunten minder bedragen dan de nalatigheidsinteresten is dan weer volstrekt onbegrijpelijk.

Waarom raakt de wetgever aan het evenwicht en de gelijkheid die bestond tussen de Belgische Staat en de belastingplichtige (t.w. het voorheen toepasselijke tarief van 7% voor nalatigheids- én moratoriuminteresten)?

Uit de voorbereidende werken blijkt dat het verschil in rentevoet gecreëerd werd als incentive voor de belastingplichtige om zijn fiscale schulden te betalen. Daarbij wordt gesteld dat “het verschil tussen de rentevoet voor de nalatigheidsinterest en de rentevoet voor de moratoriuminterest bestaat omwille van budgettaire overwegingen; de Belgische Staat staat voor de sanering van de overheidsfinanciën en met op termijn het bereiken van een budgettair evenwicht. De laatste jaren heeft het bedrag van de moratoriuminteresten zwaar gewogen op de begroting, dit op hetzelfde moment dat de huidige rentevoet van 7 pct. aan bepaalde belastingplichtigen toestaat om interessante beleggingen te realiseren, terwijl de rentevoeten op spaarrekeningen minder dan 1 pct. bedragen. De daling van de rentevoet van de moratoriuminterest beantwoordt voortaan aan het gebod om te strijden tegen elke vorm van speculatie” (MvT Doc 54 2839/001, 117-118). Uit de voorbereidende werken blijkt bovendien dat de Belgische Staat inzake directe belastingen doorheen de jaren 2014, 2015 en 2016 substantieel meer moratoriuminteresten heeft uitbetaald, dan dat ze nalatigheidsinteresten ontving (MvT Doc 54 2839/001, 119).

Voormelde verzuchting van de Schatkist zou niet verholpen mogen worden door de belastingplichtige nog meer in een inferieure positie te (ver)drukken. Middels de tariefverlaging van de moratoriuminteresten t.o.v. de nalatigheidsinteresten én de nieuwe vereiste van ingebrekestelling (met vermelding van identiteit en de juiste bankgegevens en bij voorkeur pas “wanneer de termijn voor de terugbetaling verlopen is”) lijkt de Belgische Staat bovendien te speculeren op een goedkope lening bij de belastingplichtige om het deficit in de overheidsfinanciën te saneren.

In het licht van deze hervorming kan niet genoeg het belang van de tijdige en rechtmatige ingebrekestelling lastens de fiscus benadrukt worden om als belastingplichtige nog aanspraak te kunnen maken op de uitbetaling van moratoriuminteresten over ten onrechte betaalde belastingen.

Vincent Vercauteren – Senior Associate
[email protected]

Christophe Dillen – Associate
[email protected]

* Vrij naar de slogan van een particuliere kredietverstrekker.

Tiberghien

Opmerking plaatsen

X