Algemeen Bedrijfsjuristen

Maakt OESO internationale tax planning onmogelijk?

Het zijn turbulente fiscale tijden voor internationale industriële ondernemingen. Terwijl in België minister van financiën Van Overtveldt dit weekend de grootste fiscale hervorming sinds 1963 aankondigde, was men wereldwijd nog de meest fundamentele veranderingen in internationale fiscaliteit aan het verteren.

Vorige week maandag lanceerde de OESO de finale actieplannen die haar leden toelaten de strijd aan te binden tegen internationale industriële ondernemingen die maar al te graag arbitreren tussen de verschillende landen waar ze operationeel aanwezig zijn met als doel hun belastingvoet zo laag mogelijk te houden. De afgelopen jaren werden de fiscale structuren van Apple, Amazon, Fiat, Starbucks en nog vele andere in de media te grabbel gegooid en was de daar opvolgende publieke en geveinsde politieke verontwaardiging het signaal om grenzen te stellen aan al te agressieve internationale fiscale planning. Het initiatief van de OESO staat bovendien niet alleen. Vorige week vrijdag gaf ook de G20 in Lima (Peru) haar steun door deze actieplannen volledig te onderschrijven. Op Europees niveau werden ondertussen o.a. initiatieven genomen die de Europese lidstaten verplichten om de publiek verguisde rulings op een pro-actieve manier met elkaar te delen. België is trouwens één van de eerste landen die deze mededelingsplicht effectief begint uit te voeren.

Het ultieme doel van deze internationale maatregelen is door het creëren van een maximale transparancy er voor zorgen dat internationale industriële ondernemingen in de toekomst hun “fair-share” aan vennootschapsbelasting zullen betalen.

Over het bepalen van wat een faire vennootschapsbelasting is kan lang gedebatteerd worden. Voor de één is dit 20% of zelfs minder, voor een andere 34% of nog hoger. In geen enkele debat of publicatie is hier enige richting of aanzet tot consensus over te vinden. Wat wel vaststaat is dat de gemiddelde wereldwijde effectieve belastingvoet – zoals berekend onder de internationale accounting standaard IFRS – van de BEL-20 over het boekjaar 2014 op 22% uitkwam. Aan het uiteinde van de range heb je bedrijven als Telenet, Bekaert en Bpost die meer dan 35% rapporteren terwijl aan de onderkant van de vork er bedrijven zijn die onder IFRS een positieve belasting rapporteren (“ een belastingtegoed”). Deze positieve belasting is vaak te wijten aan het feit dat bedrijven die herstructureren of verlieslatend zijn reeds toekomstigse belastingtegoeden kunnen boeken bijvoorbeeld omdat ze in de toekomst hun verliezen zullen kunnen afzetten tegen geanticipeerde toekomstige winsten. Dit is enkel boekhoudkundig, deze bedrijven krijgen uiteraard geen cash terugbetaald.

De OESO verwacht dat al deze aangekondigde maatregelen voor haar leden jaarlijks tussen de 100 en 250 miljard dollar zal opbrengen. U leest het goed: tussen de 100.000.000.000 en de 250.000.000.000 dollar, jaarlijks. Bijgevolg kan men verwachten dat de 22% gemiddelde belastingvoet van de BEL-20 maar ook de belastingvoet van buitenlandse multinationals zal stijgen in de volgende jaren. Zo zullen hybride structuren die vaak leiden tot een effectieve niet-belasting van een deel van de winst bijna volledig verdwijnen. Holdingstructuren zullen enkel nog verdedigbaar zijn indien deze nodig zijn vanuit bedrijfseconomische of bedrijfsstrategische context, bijvoorbeeld voor joint-ventures of om bepaalde regio’s en landen aan te sturen. De aftrekbaarheid van interestkosten zal sterk beperkt worden. De intra-groep facturatie zal nog beter en meer onderbouwd moeten worden. Fiscale niche-wetgeving zoals bijvoorbeeld de publiek verguisde Belgische “excess-profit”-rulings verdwijnen of andere zoals de octrooi-aftrekregeling zullen bijgesteld worden. Dit zijn allemaal maatregelen die voor de meeste bedrijven reeds lang gekend zijn en die geen nieuwe fundamentele wijzigingen betekenen. Bovendien hebben veel bedrijven de afgelopen twee jaar hun fiscale footprint reeds aangepast aan deze nieuwe werkelijkheid.

Het grote probleem wordt evenwel de dubbele belasting van een zelfde winst. Eén van de 15 maatregelen voorziet dat elke multinational een rapportering zal moeten opstellen die per land een overzicht geeft van activa, tewerkstelling, winstgevendheid enz., de zogenaamde “Country by Country” rapportering. Dit overzicht zal jaarlijks moeten opgesteld worden door het moederbedrijf en ingediend worden bij haar eigen fiscale administratie. Vervolgens zullen alle landen deze “Country by Country” rapportering spontaan met elkaar delen, maw elke fiscale overheid waar een multinational operationeel is zal op een zeer transparante manier zien wie hoeveel waar betaalt en zal zich zelf rijk kunnen rekenen door een groter stuk van de totale winst op te eisen. Het spreekt van zelf dat geen enkel bedrijf zich bij deze vervormde realiteit zal neerleggen en dat we bijgevolg een exponentiële stijging van fiscale geschillen zullen krijgen die de fiscale autoriteiten uiteindelijk zelf in een onderlinge arbitrage-procedure zullen moeten oplossen daar dit alles grensoverschrijdende materie is.

Ondernemingen zullen zich moeten voorbereiden op een volledig transparante fiscale wereld en zullen om dubbele belasting te vermijden nog veel meer dan in het verleden beroep moeten doen op rulings. Rulings die vanaf nu zullen gedeeld worden met landen voor wie ze relevant zijn.

Daar bepaalde niche-wetgeving zal moeten verdwijnen zullen overheden zelf meer en meer terugvallen op een lagere statutaire belastingvoet om nog attractief te blijven voor buitenlandse investeerders, o.a. Nederland en Groot-Brittanië zijn reeds die richting ingeslaan. Om in de toekomst nog op een short list te komen van een buitenlandse investeerder zullen landen moeten zakken naar een belastingvoet van rond de 20%, dit gecombineerd met een wetgeving zoals de notionele interestaftrek, een niche-wetgeving die wel de steun krijgt vanuit Europa. Daarbij zal het onontbeerlijk zijn dat een competitief land een ervaren en betrouwbare rulingpraktijk uitbouwt. België geldt hier vandaag reeds als “best in class”. Overheden zouden ook kunnen overwegen om een eenmalige forfaitaire amnesty-regeling in de vennootschapsbelasting uit te werken om het volledige verleden te regulariseren; niet zo zeer omdat multinationals in het verleden de wet niet respecteerden maar vooral omdat heel veel belastingambtenaren om het even waar in de wereld deze pas goedgekeurde maatregelen reeds willekeurig op het verleden toepasssen wat nu al een enorme golf aan belastinggeschillen creërt. Een eenmalige faire amnesty-regeling zou een win-win kunnen zijn daar dit voor overheden onmiddellijk opbrengt, terwijl bedrijven lang lopende geschillen vermijden.

Opmerking plaatsen

X