Nieuws

Slechts een deontologie light ten aanzien van de prodeaan – Hof van Cassatie gaat akkoord

Recht op aftrek van historische btw - wat is dit nu eigenlijk? 1
Geschreven door Jubel

Dit artikel werd geschreven door Bart STAELENS, advocaat en Oud-Stafhouder van balie Brugge.


1.

De Algemene Vergadering van de OVB nam op 24 juni 2015 een reglement aan waarbij onder meer gelegifereerd werd inzake opvolging in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.

Natuurlijk werd er opgelegd dat een opvolging nooit tot meer kosten mag leiden en dat het totaal van de punten moet verdeeld worden tussen opgevolgde en opvolger.

Tot daar geen vuiltje aan de lucht en tot daar de evidentie zelve.

2.

Maar er werd meer uitgewerkt dan dit. Er werd ook aangegeven dat wanneer een prodeaan wil overstappen van advocaat A naar advocaat B, het niet voldoende is dat dit de rechtsbijstand geen eurocent meer kost. Neen, een controlemechanisme werd uitgewerkt om een zogenaamde “vertrouwensbreuk” na te gaan. En dit moet worden gecheckt door het BJB van de op te volgen advocaat – als dit bureau meent dat de prodeaan, ook al wil hij weg, dit niet mag omdat het bureau zich in zijn plaats stelt om te poneren dat hij A maar moet verder vertrouwen, dan kan de opvolging niet doorgaan.

Een prodeaan moet dus blijven bij advocaat A en advocaat A leert dan als BJB-advocaat dat de ad nutum opzegbaarheid van de relatie advocaat-cliënt, toch één van de essenties van een relatie tussen advocaat en cliënt, niet geldt bij BJB-aanstellingen. Voor deze bevoogdende toetsing van de gedachten en gevoelens van de prodeaan, werd er verder een nogal complex systeem uitgewerkt.

3.

Twee verhalen werden er tegen dit OVB-reglement ingeleid bij het Hof van Cassatie. Met twee arresten van 8 februari 2018 (het eerste arrest is hier als bijlage te raadplegen) heeft het Hof van Cassatie deze verhalen tegen het artikel in het reglement dat de opvolging bij BJB-aanstellingen aan banden legt, als ongegrond afgewezen.

4.

Het Hof motiveert dat in het kader van juridische bijstand, het recht op vrije keuze van een advocaat niet absoluut is. Maar dit werd ook niet beweerd. Een prodeaan kan slechts een beroep doen op een advocaat die wil fungeren binnen het BJB kader, met de overigens normaliter vrij bescheiden verloning. Over deze beperking van de absolute vrijheid, beperking die noodzakelijkerwijze voortvloeit uit de organisatie van de juridische bijstand, ging het niet. Het ging er enkel om dat niet werd ingezien door de verzoekers waarom advocaat B niet zou mogen optreden in opvolging van advocaat A als advocaat B daartoe bereid is, als hij verkozen wordt door de prodeaan en als dit niets maar ook niets meer kost voor de rechtsbijstand.

5.

En er zijn natuurlijk belangrijke waarden in het geding.

De relatie tussen een advocaat en de cliënt, is een vertrouwensrelatie bij uitstek. Die relatie is ook van ontzettend groot belang voor de cliënt, gezien de oriëntatie die de advocaat aan de zaak geeft, het leven van de cliënt verder kan bepalen. Aldus is ook de ad nutum opzegbaarheid van een dergelijke overeenkomst, één van de hoekstenen van de verhouding advocaat-cliënt.

Wat zou dan zo belangrijk zijn om in afwijking van deze algemene regel, anders te reglementeren inzake BJB?

Wat zou dan zo belangrijk zijn dat zonder schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, te voorzien in een regel die diametraal ingaat tegen de regel die geldt bij een relatie advocaat-cliënt, vreemd aan de juridische rechtsbijstand?

6.

De OVB betoogde voor het Hof dat misbruiken moesten voorkomen worden. Misbruiken waren het “shoppen” en “onrechtmatige afwerving”. Shoppen en afwerven, wellicht is dit de nogal prozaïsche keerzijde van de medaille van de vrijheid. En waarom de meestal met veel tremolo’s in de stem beleden “vrijheid van keuze van raadsman” dan “shoppen” wordt bij de prodeaan, dit is niet meteen te begrijpen. Zeker niet als men weet dat bij de initiële aanstelling er soms helemaal geen echte keuze bestond bij de prodeaan.

En “afwerving” – cliënten zullen wel eens de neiging hebben om over te stappen naar een advocaat met naam en faam, maar is dit nu niet net een element dat deel uitmaakt van de vrijheid van keuze van raadsman? Dit kan soms wat pijnlijk zijn voor de opgevolgde, maar dit behoort nu éénmaal tot de advocatenstiel. En eigenlijk is er bij juridische bijstand misschien minder sprake van “afwerving”, want de prodeaan kan enkel overstappen naar wie zich invoegt in het strikte systeem van de juridische bijstand, niet naar om het even wie. Waarom er bij de prodeaan dus anders zou kunnen geregeld worden dan bij een andere cliënt, dit blijft na het spuien van deze slogans die eigenlijk kant noch wal raken, een raadsel.

7.

Er zou sprake zijn van een oneigenlijke toename van de administratiekost omdat het moeilijk zou zijn om die opvolgingen te registreren, en bij te houden. Er kan akkoord gegaan worden dat de financiering van de bijstand met overheidsfondsen, tot een gedifferentieerde regelgeving aanleiding mag geven. Aldus werd ook niet betwist door de verhalende advocaten dat de punten moesten gedeeld worden, ook al zal bij een opvolging door de twee advocaten samen, in de regel meer werk verricht worden dan als er geen sprake is van opvolging. De meerkost die de differentiatie zou wettigen, waardoor het dus geen discriminatie zou zijn, zou veroorzaakt zijn door administratiekosten om de opvolgingen te noteren… Dit wordt klaarblijkelijk gemakkelijk en zonder enig bewijs aanvaard door het Hof van Cassatie. Merkwaardig, hoeft een partij de eigen stellingen niet meer te bewijzen?

En is de repliek van de eisers in cassatie dat het hele circus om te beoordelen of er nu mag opgevolgd worden of niet, met de sleutel bij de aanstellende BJB, meer zal kosten qua administratie dan het puur registeren van de opvolging, misschien niet juist?

In elk geval meent het Hof van Cassatie, zonder enige motivering, zonder enig onderzoek, te poneren dat het nochtans fundamentele onderscheid, vanuit deontologisch oogpunt bekeken, mag worden aangebracht, zonder het minste onderzoek of enige meerkost wel zou bewezen zijn, dan wel in tegendeel, dat het mechanisme dat in het reglement wordt uitgewerkt zelfs tot een ergerlijke meerkost zou leiden.

Bevoogdende controlemechanismen zijn immers niet gratis.

9.

Het Hof meent dat de regels niet verder zouden gaan dan wat noodzakelijk is om misbruiken te voorkomen.

Waarom het gebruik van de vrijheid van keuze van raadsman een misbruik zou zijn, dit wordt door het Hof niet uiteengezet. En dat er al te driftig en bij wijze van misbruik aan opvolging zou worden gedaan, dit blijkt nergens uit, en ook hier gaat het Hof uit van een premisse zonder het minste bewijs.

Het Hof heeft er geen oog voor dat een algemeen aanvaarde fundamentele deontologische regel opzij geschoven wordt, gezien het toch maar om prodeanen gaat. Zij moeten zwijgen en blij zijn dat er hun een raadsman wordt toegekend.

Dat een raadsman die zich kan verzetten tegen een opvolging, niet meteen de beste incentive krijgt om de deontologie in zijn carrière te respecteren en dat hij al evenmin een incentive krijgt om de belangen van de prodeaan naar behoren te behartigen, dit blijft buiten het gezichtsveld van het Hof. Dit zijn nochtans net argumenten die aantonen dat er geen sprake kan zijn van een proportionele beperking van de evidente vrijheid van keuze van raadsman, uiteraard met de beperking dat er maar tussen raadslieden van het systeem kan gekozen worden en dat dit het systeem niets meer mag kosten.

10.

Het bewijsrecht blijkt hier niet van belang te zijn en ook het nochtans volwassen leerstuk over het gelijkheidsbeginsel gaat het Hof voorbij. Laat ons hopen dat dit arrest geen ergere gevolgen heeft dan deze theoretische overwegingen.

Laat ons hopen dat de rechtsbijstandsverzekeringen de arresten niet lezen. Want de rechtsbijstandverzekeringen komen wel aan hogere bedragen als de vrijheid van keuze moet gerespecteerd worden, en zullen zij nu ook niet zwaaien met de gevaren van “shopping” en “afwerving”? Zullen zij vertrouwensbreuken mogen controleren zoals de BJB-voorzitters van de aanstellende BJB’s dat moeten doen? (En somtijds is het hemdje van de eigen balie wel eens nader dan het rokje van de andere balie) En hoe moeten stafhouders nu reageren bij ernstige problemen? Als stafhouder van de balie Brugge heb ik eens, waar een aangestelde advocaat voor de Raadkamer per se wilde pleiten voor de prodeaan, terwijl er een andere advocaat was geraadpleegd door de prodeaan, moeten tussenkomen. Beiden wilden samen de Raadkamer binnenstormen, wat de voorzitter nu niet meteen aangenaam vond. Ik heb mij naar het cellenblok mogen begeven en ik heb aan de prodeaan gevraagd in welke advocaat hij nu vertrouwen had en in welke niet. Het ging met veel overtuiging om de tweede, eigenlijk de eigen raadsman want de “eerste” was binnen Salduz opgetreden omdat ’s nachts de eigen raadsman niet kon bereikt worden. Ik heb de relatief brave prodeaan in zijn cel gelaten, en ik heb de keuze van de prodeaan medegedeeld aan de voorzitter en aan de twee advocaten. De opgevolgde advocaat heeft met trieste blik in de ogen het pand verlaten, zijn eerstgeboorterecht werd niet erkend ondanks de steun van zijn eigen BJB en zelfs het bordje linzensoep ging hem voorbij.

Volgens het Hof van Cassatie heb ik dus verkeerd gehandeld.

Bart STAELENS

De auteur is advocaat-partner bij Phibalex Advocaten en Oud-Stafhouder van balie Brugge.

Bijlagen:
– Arrest Hof van Cassatie 8/2/2018
– Cassatieverzoekschrift door de eiser tot nietigverklaring van het bestreden reglement
– Verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van de Orde van Vlaamse Balies
– Conclusie openbaar ministerie
– Antwoordnoot door de verzoeker op de conclusie van het openbaar ministerie

Opmerking plaatsen

X