Algemeen Nieuws

Strijd tegen de georganiseerde misdaad

Geschreven door KnopsPublishing

Ter gelegenheid van de plechtige openingszitting van de Hof van Beroep van Brussel had procureur-generaal Johan Delmulle het over de strijd tegen de georganiseerde economische en financiële misdaad. Hij had ook enkele voorstellen voor de bevoegde autoriteiten, die u hieronder kunt lezen. U kunt zijn volledige uiteenzetting hier lezen.

Bij het opnemen van mijn eerste mandaat als procureur-generaal heb ik drie ressortelijke pools opgericht. Ik zal het niet hebben over de pool voor de integrale afhandeling van assisenzaken. Maar wel over de twee andere pools, waarbij de ene pool bestaat uit gespecialiseerde magistraten van het parket-generaal en de arrondissementsparketten om de zware en georganiseerde economische en financiële criminaliteit, fiscale fraude en milieucriminaliteit en corruptie aan te pakken en de andere pool uit gespecialiseerde magistraten van het auditoraat-generaal en de arbeidsauditoraten belast met de aanpak van de zware en georganiseerde sociale fraude. De leden van de pool behandelen, zoals u weet, de hen toevertrouwde dossiers integraal en dit zowel in eerste aanleg als in graad van beroep.

Beide pools zouden normaliter vanaf 1 oktober 2014 voor hun gespecialiseerde onderzoeken in het domein van de georganiseerde economische en financiële criminaliteit en in dat van de fiscale en sociale fraude, een beroep moeten kunnen doen op de gespecialiseerde eenheid die binnen de FGP Brussel moet zijn opgericht ingevolge artikel 105, § 11, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, alsmede op de gemengde multidisciplinaire onderzoeksteams (de zogenaamde MOTEM) . Identieke gespecialiseerde eenheden zouden moeten bestaan in de gedeconcentreerde gerechtelijke directies van Antwerpen, Charleroi/Bergen, Oost-Vlaanderen en Luik. Niettegenstaande de wet het zo bepaalt, is de federale politie tot op heden niet in staat gebleken om deze eenheden ook daadwerkelijk op te richten.

Raadkamer

Een tweede voorstel betreft de raadkamer. Reeds in mijn openingsrede in 2014 stelde ik de vraag of de tijd niet gekomen is dat we het voortbestaan van de raadkamer, als rechtsinstantie die vooral instaat voor de controle op de voorlopige hechtenis en voor de regeling van de rechtspleging, moeten durven in vraag stellen.

Indien de raadkamer zou worden afgeschaft, zal de tijdswinst in de strafprocedure enorm zijn. Iedereen weet dat de doorlooptijden voor de raadkamer in de volumineuze en complexe dossiers onaanvaardbaar lang zijn en vaak makkelijk een jaar of meer overschrijden. Bovendien zou dit ook minder werklast voor de magistraten van de zetel en het parket betekenen.

Zou de afschaffing van de raadkamer leiden tot minder rechtszekerheid en proceswaarborgen voor de burger? Ik denk het niet. De beslissing over de aanhouding van een beklaagde wordt immers reeds genomen door een rechter, met name de onderzoeksrechter. Het is noodzakelijk dat diens rechterlijke beslissing wordt gecontroleerd door een andere rechtsinstantie, maar het volstaat mijns inziens dat de kamer van inbeschuldigingstelling, waarin 3 raadsheren zetelen, deze controle op zich neemt.

De procedure van de regeling van de rechtspleging zou door de volgende procedure kunnen worden vervangen:

  • Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek en tenzij het Openbaar Ministerie de onderzoeksrechter vordert bijkomende onderzoeksdaden te verrichten, beslist het Openbaar Ministerie over de uitoefening van de strafvordering, meer bepaald beslist het over te gaan tot rechtstreekse dagvaarding, buitengerechtelijke afhandeling (bv. minnelijke schikking of bemiddeling in strafzaken) of sepot.
  • Tegen de beslissing tot rechtstreeks dagvaarding of buitengerechtelijke afhandeling van een zaak is geen rechtsmiddel mogelijk.
  • Tegen de beslissing tot sepot kan de benadeelde persoon de procureur des Konings op gemotiveerde wijze verzoeken zijn beslissing te herzien. Indien de procureur des Konings zijn beslissing handhaaft, beschikt de benadeelde persoon over een gemotiveerd klachtrecht bij de hiërarchische overste van de procureur des Konings, met name de procureur-generaal die, rekening houdende met de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, meer bepaald:
    • de klacht kennelijk ongegrond (indien hij een technisch obstakel in de vervolgingen vaststelt of indien het sepot hem in overeenstemming lijkt te zijn met de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en haalbaarheid) of onontvankelijk kan verklaren, ofwel – de klacht kan afwijzen indien er onvoldoende bezwaren zijn om te vervolgen, ofwel
    • de procureur des Konings opdracht kan geven om vervolging (rechtstreekse dagvaarding of buitengerechtelijke afhandeling) in te stellen (artikel 364, eerste lid Sv.).

Ingeval van verwerping van de klacht door de procureur-generaal is een rechtstreekse dagvaarding door de benadeelde persoon voor de rechter ten gronde steeds mogelijk.

Gespecialiseerde onderzoeksrechters

Een derde voorstel dat ik zou willen formuleren is de benoeming van gespecialiseerde onderzoeksrechters. Artikel 79, vijfde alinea van het gerechtelijk wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg één of meerdere onderzoeksrechters aanstelt die prioritair zaken behandelt die te maken hebben met inbreuken op fiscale wetten en reglementen.

Dat idee is uitstekend, maar het brengt een aantal bedenkingen met zich mee:

  • De ervaring met gespecialiseerde onderzoeksrechters op het vlak van terrorisme toont aan dat men heel waakzaam moet blijven en erop toezien dat de onderzoeksrechters gespecialiseerd in specifieke materies ook effectief die dossiers behandelen die betrekking hebben op hun specialiteit. Het is enkel op deze manier dat zij zich ten volle kunnen toeleggen en specialiseren in het domein dat hen is toegewezen. Als deze onderzoeksrechters te vaak van dienst zijn, zodat zij ook misdrijven van het gemeenrecht en burgerlijke partijstellingen moeten behandelen, dan driegt dit principe van “voorkeur” snel zijn betekenis kwijt te raken.
  • Deze onderzoeksrechters zouden zich ook moeten kunnen inschrijven in een politiek van de management van het onderzoek in onderzoeken die hen zijn toevertrouwd, met een onderzoeksplan dat concrete doelen bevat, net als de manier om deze te realiseren, de middelen die zij hiervoor ter beschikking krijgen en de termijn om die doelen te realiseren.
  • En waarom zou men zich enkel beperken tot fiscale zaken? Ik pleit ervoor dat deze onderzoeksrechters eveneens zaken kunnen behandelen van zware ongeorganiseerde criminaliteit op economisch vlak, financieel vlak en op het vlak van sociale fraude.
  • Zo zouden de onderzoeken van van de twee pools van gespecialiseerde magistraten toevertrouwd kunnen worden aan deze onderzoeksrechters als er dwangmaatregelen nodig zijn.

Een laatste voorstel dat ik zou willen vermelden betreft de verjaringsregels. Het principe zou eruit moeten bestaan dat de verjaring enkel loop tijdens de fase van het opsporing- en gerechtelijk onderzoek, maar niet meer vanaf de aanhangigmaking bij de rechter ten gronde.

De volledige uiteenzetting van procureur-generaal Johan Delmulle ter gelegenheid van de plechtige openingszitting van het hof van beroep van Brussel kunt u hier downloaden.

Of u kunt de video hieronder bekijken.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.