Expertise Nieuws Schenken en Erven

Vlaamse regeling van de verzekeringsgift grondwettig verklaard

Geschreven door Rik Deblauwe

Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nummer 34/2019 van 28 februari 2019 de Vlaamse regeling over de verzekeringsgift grondwettelijk verklaard [1]. Het beroep van Assuralia werd daarmee afgewezen.

Zoals bekend [2] stelde de Vlaamse belastingdienst in zijn standpunten nummer 15133 en 15142 dat de heffing van de registratiebelasting op de schenking, door de verzekeringnemer, van zijn rechten, niet belet dat er daarna nog erfbelasting geheven wordt op de uitkeringen uit de polis. De schenking had immers betrekking op iets anders dan de erfbelasting. Dat is juridisch correct, maar de belastingplichtige voelt het anders aan, want economisch gezien betreft het wel dezelfde activa. Door het decreet van 3 december 2016 werd dan ook bepaald, in artikel 2.7.3.2.8 § 2 van de codex, dat de belastbare grondslag voor de erfbelasting verminderd wordt met het bedrag dat als belastbare grondslag heeft gediend voor de heffing van de schenkbelasting, indien het contract door de erflater aan die persoon werd geschonken. Daartegen werd de voorziening tot nietigverklaring dus ingediend.

Het arrest

Het Grondwettelijk Hof herneemt eerst de totstandkoming van de regeling, en overweegt [3]:

  • dat de prestaties van een levensverzekering niet rechtstreeks uit de nalatenschap van de verzekeringnemer worden verkregen, en dat er dus een bijzondere bepaling nodig is om daarvoor te zorgen, met andere woorden een fictiebepaling;
  • dat de federale belastingadministratie bij brief nr. EE/105.349 van 9 april 2013 oordeelde dat bij een schenking van de levensverzekering door de verzekeringnemer de prestaties die de begunstigde bij het overlijden van de schenker verkrijgt geen legaat zijn in de zin van artikel 8 van het Wetboek der successierechten omdat ingevolge de schenking van de polis het beding ten behoeve van een derde werd omgezet in een beding ten behoeve van zichzelf. De federale rulingdienst bevestigde dat standpunt in zijn ruling nr. 2016.813 van 6 juli 2017;
  • dat de Vlaamse belastingdienst die zienswijze niet deelde, en dat hij oordeelde dat een schenking geen afbreuk doet aan het feit dat er sprake is van een prestatie ingevolge het door de oorspronkelijke verzekeringnemer in het voordeel van de begunstigde gemaakte beding;
  • dat de Vlaamse decreetgever vervolgens bepaald heeft dat de verzekeringsprestaties aan de erfbelasting worden onderworpen, zelfs indien de schenking van de levensverzekering reeds werd onderworpen aan de schenkbelasting, maar wilde hij ook, om redenen van billijkheid en redelijkheid, de gevolgen van de eventuele economische dubbele belasting vermijden en bepaalde daarom dat slechts erfbelasting is verschuldigd op het verschil tussen de uitkering bij overlijden en de waarde van de levensverzekeringspolis op het ogenblik van de schenking.

Het Hof oordeelt vervolgens dat het ingestelde beroep ontvankelijk is. Assuralia heeft als beroepsvereniging de vereiste hoedanigheid om bepalingen te bestrijden die de belangen van haar leden rechtstreeks en ongunstig raken, en dat is hier het geval [4].

De verzoeker had verder opgeworpen dat de Vlaamse decreetgever niet het recht had om deze bepaling in te voeren, aangezien ze geen betrekking had op de belastbare grondslag, maar op de belastbare materie. Het Hof wijst dit af, zeggende dat, ondanks de schenking, de verzekeringsuitkering nog steeds verkregen wordt naar aanleiding van het overlijden van de verzekeringnemer. Als de decreetgever dus bepaalt dat zij een goed vormt dat wordt overgedragen ingevolge het overlijden, valt dit wel degelijk binnen de belastbare materie die aan de Vlaamse decreetgever door de bijzondere financieringswet toegewezen is [5]. Als de decreetgever verder bepaalt dat de grondslag van het successierecht op de levensverzekeringsuitkering verminderd wordt met het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de berekening van de schenkbelasting preciseert hij ook hier de grondslag van het fiscale successierecht, en daarvoor is hij bevoegd.

De verzoeker had vervolgens gesteld dat de grondwettelijke gelijkheid geschonden was. Wie een verzekeringsgift ontving, meer dan 3 jaar voor het overlijden, betaalt nog altijd erfbelasting, in principe op het hele bedrag dat hij ontvangt, en zelfs na registratie betaalt hij nog altijd erfbelasting op de meerwaarde van de levensverzekering die aangroeit tussen het ogenblik van de schenking en het overlijden van de schenker-verzekerde, ondanks de betaling van de schenkbelasting. Wie andere roerende goederen ontving, meer dan 3 jaar voor het overlijden, is geen erfbelasting meer verschuldigd, zelfs zonder betaling van de schenkbelasting [6].

Het Hof antwoordt erop dat de begunstigde van de levensverzekeringsovereenkomst pas bij het overlijden van de erflater-verzekeringnemer de prestaties verkrijgt, die voortvloeien uit de rechtsverhouding met de verzekeraar, en het vervolgt: “Gelet op de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen van gelijkheid, billijkheid en redelijkheid bij het onderwerpen van levensverzekeringsprestaties aan de erfbelasting is het niet zonder redelijke verantwoording dat de aangroei van de waarde tussen het ogenblik van de schenking en dat van de effectieve verrijking van de begunstigde van levensverzekeringsprestaties wordt onderworpen aan de erfbelasting. De bestreden bepalingen zijn derhalve niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.”

Het verzoek tot vernietiging wordt dus afgewezen.

Enkele bedenkingen

  1. Het Grondwettelijk Hof kan zich blijkbaar vinden in de juridische aanpak van de Vlaamse belastingdienst, gevolgd door de Vlaamse decreetgever, die een onderscheid maakte tussen de rechten als verzekeringnemer, en de rechten van de begunstigde op de uitkeringen. Juridisch zijn dat ook wel 2 verschillende dingen. Het federale standpunt was eerder een toepassing van het beginsel “non bis in idem” in zijn ruime, traditionele en meer economische betekenis [7]. De vraag rijst dus wat Brussel en Wallonië nu gaan doen. In deze gewesten is dit federale standpunt nog altijd van toepassing. Het Grondwettelijk Hof oordeelt in principe alleen maar over de grondwettigheid van een wettelijke regeling, maar het Hof heeft wel een belangrijke invloed op de interpretatie ervan.
  2. Er was, ook door Assuralia, ook een voorziening ingediend bij de Raad van State tegen het standpunt 15142 van de Vlaamse belastingdienst [8]. Assuralia heeft hiervan echter ondertussen afstand gedaan [9].
  3. Is registratie van de verzekeringsgift nu de enige mogelijkheid om erfbelasting te vermijden? En is er nu altijd erfbelasting op de meerwaarde? Neen, in de voorafgaande beslissing nummer 15009 van 21 december 2015 en in standpunt 15133 heeft de Vlaamse belastingdienst zelf aangegeven dat, wanneer de begiftigde van de schenking van de rechten van het verzekeringscontract nadien de begunstiging wijzigt, zodanig dat de oorspronkelijke begunstiging geen uitwerking heeft, er dan ook bij het overlijden van de oorspronkelijke verzekeringnemer geen erfbelasting meer van toepassing is, als wordt aangetoond dat de begiftigde van de polis kosteloos heeft bedongen in het voordeel van de nieuwe begunstigde. Een nieuwe begunstigde aanduiden kan door een bijlage te voegen bij de initiële polis waarin iemand anders als begunstigde wordt aangeduid, aldus het standpunt 15133 [10]. Dat blijft dus een mogelijkheid, maar de polis blijft wel tot uitkering komen bij het overlijden van deze oorspronkelijke verzekeringnemer.

Rik Deblauwe

Dit artikel verscheen eerder op Taxwin.be.

Naar aanleiding van de recente hervorming van het erfrecht in september 2018, publiceerde Rik Deblauwe een vernieuwde 2e editie van het boek “Inleiding tot de Vlaamse Erfbelasting”. Het boek is nu beschikbaar via Mijnwetboek.be of KnopsBooks.com.

 

 

 

 

 


 

Voetnoten
[1] Zie bericht op taxwin: https://expert.taxwin.be/nl/tw_juri/document/ca20190228-6705-nl , en  Murielle Gijbels, “Vernietigingsberoep Vlaamse regelgeving inzake verzekeringsgift afgewezen”, op https://www.tiberghien.com/nl/1499/vernietigingsberoep-vlaamse-regelgeving-inzake-verzekeringsgift-afgewezen.

[2] Zie o.m. R. DEBLAUWE, “Nieuwe regeling bij decreet voor de verzekeringsgift”, https://www.tiberghien.com/nl/1026/nieuwe-regeling-bij-decreet-voor-de-verzekeringsgift .

[3] overwegingen B.3. van het arrest

[4] overwegingen B.4. van het arrest.

[5] overweging B.8.2 van het arrest

[6] overweging B.11. van het arrest

[7] Deblauwe, R., Inleiding tot de Vlaamse Registratiebelasting, KnopsPublishing, 2017, 1086 ev., nr. 1924 ev., en referenties in voetnoot.

[8] Zie bericht in het B.S. van 13 juli 2016, blz. 44112: Bericht voorgeschreven bij artikel 3quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beroepsvereniging ASSURALIA en de CVBA P&V VERZEKERINGEN, […] , hebben op 11 maart 2016 de nietigverklaring gevorderd van het standpunt van de Vlaamse Belastingdienst nr. 15142 van 21 december 2015 inzake schenkingen waarbij levensverzekeringen betrokken zijn, gepubliceerd op de website van de Vlaamse Belastingdienst op 14 januari en 8 februari 2016. Deze zaak is ingeschreven onder het rolnummer G/A.218.701/XIV- 36.957.

[9] Arrest nr. 238.518 van 14 juni 2017 in de zaak A. 218.701/XIV-36.957, op http://www.raadvst-consetat.be .

[10] Zie R. DEBLAUWE, “Nieuwe regeling bij decreet voor de verzekeringsgift”, https://www.tiberghien.com/nl/1026/nieuwe-regeling-bij-decreet-voor-de-verzekeringsgift.

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.

X