De digitalisering van justitie is al jarenlang een belofte die telkens opnieuw als een fata morgana aan de horizon verschijnt. Elke nieuwe legislatuur kondigt met veel tromgeroffel een versnelling aan van het digitaliseringsproces. Ministers komen en gaan, beleidsnota’s stapelen zich op, rapporten worden geschreven, conferenties georganiseerd en proefprojecten opgestart. Maar telkens opnieuw verdampt het momentum in een mist van institutionele traagheid, bestuurlijke versnippering en politieke onmacht.
Waarom digitalisering dreigt te mislukken
Annelies Verlinden, de huidige minister van Justitie, lijkt op het eerste gezicht niet anders. Ze spreekt de juiste taal, toont zich welwillend en zegt het belang van digitalisering te onderkennen. Maar wie voorbij de intenties kijkt en de structurele context onder de loep neemt, kan niet anders dan tot de sombere conclusie komen: ook deze legislatuur zal de digitalisering van justitie op niets uitdraaien. Niet omwille van onwil, maar omdat vier fundamentele structurele problemen elke vooruitgang blijven torpederen.
Een succesvolle digitalisering van justitie veronderstelt dat men het verleden kritisch durft te evalueren
De eerste reden waarom de digitalisering dreigt te mislukken, is dat een succesvolle digitalisering van justitie veronderstelt dat men het verleden kritisch durft te evalueren. Dat is een evidentie in elke sector die zichzelf wil hervormen: men moet kijken naar wat fout liep, welke keuzes verkeerd waren en welke systemen vandaag al verouderd of disfunctioneel zijn. In de context van justitie betekent dit dat men de ICT-beleidskeuzes en contracten uit de voorbije twee legislaturen onder de loep moet nemen. Daar liggen de kiemen van veel hedendaagse mislukkingen: megalomane projecten zonder draagvlak, contracten met logge externe leveranciers zonder enige responsabilisering, onduidelijke bevoegdheidsverdelingen en systemen die niet interoperabel zijn. En toch is er van die noodzakelijke kritische reflex geen spoor bij minister Verlinden. Ze kiest voor continuïteit, niet voor correctie. Ze omarmt de bestaande infrastructuur zonder fundamentele vragen te stellen. Geen enkel signaal wijst erop dat ze werk wil maken van een grondige audit van vroegere ICT-beslissingen. En zolang die analyse uitblijft, blijft men bouwen op een onstabiele fundering. Wie een huis op drijfzand zet, hoeft niet verrast te zijn dat het vroeg of laat weer instort.
Een tweede, minstens even fundamenteel probleem is het complete gebrek aan visie binnen de magistratuur zelf. Men zou verwachten dat rechters, als hoeders van de rechtsstaat, zich zouden roeren in het debat over digitalisering. Maar niets is minder waar. Zeker binnen de hogere regionen van de rechterlijke macht is er een frappante onverschilligheid te bespeuren. Databeheer? Cyberveiligheid? Autonomie over ICT-systemen? Het zijn thema’s die nauwelijks leven binnen de magistratuur. Nochtans raakt digitalisering aan de kern van hun onafhankelijkheid. Een rechter die werkt met digitale systemen die ontworpen, beheerd en gecontroleerd worden door de uitvoerende macht, verliest een stuk van zijn autonomie. En toch wordt dit gevaar amper onderkend. De meeste rechters ervaren ICT als een noodzakelijk kwaad, een technisch dossier dat ze liefst uitbesteden aan technocraten of de uitvoerende macht. Dat is niet alleen kortzichtig, het is ook gevaarlijk. Want wie zich niet met de toekomst bemoeit, wordt erdoor overrompeld. En zolang rechters geen eigen digitale visie ontwikkelen, zullen ze ook geen volwaardige gesprekspartner zijn in het beleid.
Justitie is een complex landschap met verschillende actoren, elk met hun eigen logica, rol en verantwoordelijkheid. Ook hun werkprocessen, informatiebehoeften en gevoeligheden verschillen fundamenteel.
Het derde struikelblok is de halsstarrige keuze voor een monolithische aanpak van digitalisering. Justitie is een complex landschap met verschillende actoren, elk met hun eigen logica, rol en verantwoordelijkheid. Het openbaar ministerie is een emanatie van de uitvoerende macht en functioneert volgens andere principes dan de rechterlijke macht, die per definitie onafhankelijk is. Ook hun werkprocessen, informatiebehoeften en gevoeligheden verschillen fundamenteel. En toch blijft men ICT-systemen ontwikkelen alsof justitie één homogeen blok is. Deze monolithische benadering is zowel juridisch als technisch problematisch. Ze miskent de reële noden op het terrein en dwingt rechters om te werken met systemen die niet afgestemd zijn op hun functie. Bovendien leidt deze aanpak tot een scheeftrekking in de machtsverhoudingen. Binnen de kabinetten zijn het immers vooral leden van het openbaar ministerie die betrokken zijn bij ICT-beslissingen. Rechters daarentegen hebben amper vertegenwoordiging op beleidsniveau. Er zijn wel een of twee griffiers aanwezig in de kabinetten, maar zij spreken niet met het gezag van een rechter en boxen structureel boven hun gewicht. Het gevolg is een asymmetrisch ICT-beleid dat het openbaar ministerie versterkt en de rechterlijke macht structureel verwaarloost. Dat is geen toeval, maar het resultaat van een fundamenteel foutief uitgangspunt: dat je justitie als één systeem kan digitaliseren, zonder respect voor haar interne pluraliteit.
Het vierde, en misschien meest fatale probleem, is dat men weigert te erkennen dat justitie (althans de civiele rechtspleging) vandaag een defect systeem is dat niet langer gerepareerd kan worden. Justitie is als een oude trein vol passagiers die al jaren hapert en kraakt. Iedereen weet dat er fundamentele problemen zijn, maar toch blijft men proberen om het systeem al rijdend te herstellen. Dat is niet alleen inefficiënt, het is ook onrealistisch. Wie een trein wil moderniseren, moet een nieuwe trein bouwen en de passagiers stelselmatig laten overstappen. In de context van justitie betekent dit dat men parallel een nieuw, digitaal systeem moet opbouwen, los van de bestaande structuren. Een mogelijke start zou zijn om de civiele procedures voor vorderingen onder de 2000 euro bij de vrederechter volledig te digitaliseren. Het gaat om relatief eenvoudige geschillen, die bovendien niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Partijen zouden de keuze krijgen om hun dossier volledig digitaal te behandelen. Eens die procedure is getest en geoptimaliseerd, kan men ze verplicht maken voor alle soortgelijke geschillen en vervolgens uitbreiden naar andere domeinen. Dit is een klassiek voorbeeld van een agile aanpak: klein beginnen, testen, bijsturen en opschalen. Maar ook dit veronderstelt visie, durf en medewerking van de rechterlijke macht. En net daar wringt opnieuw het schoentje. Want zolang rechters zich afzijdig houden van het digitaliseringsbeleid, zolang ze geen eigen projecten opzetten of verantwoordelijkheid opnemen, blijft elke verandering een initiatief van buitenaf. En wie niet zelf aan het roer staat, wordt meegevoerd met de stroming – richting mislukking.
Structurele inertie
Wat deze vier punten gemeen hebben, is dat ze wijzen op een structurele inertie, een soort fundamenteel onvermogen van justitie om zichzelf fundamenteel te hervormen. De politieke wil mag aanwezig zijn – en bij Annelies Verlinden is die oprecht – maar zonder een kritische houding ten opzichte van het verleden, zonder een visie binnen de magistratuur, zonder respect voor de interne verschillen binnen justitie en zonder een radicale breuk met het verleden is elke poging tot digitalisering gedoemd te stranden.
Digitalisering is geen technocratisch project
Digitalisering is geen technocratisch project. Het is een democratisch, institutioneel en ideologisch project. Het raakt aan vragen van autonomie, macht, legitimiteit en rechtvaardigheid. Als het openbaar ministerie exclusief het stuur in handen heeft, zullen de systemen die ontwikkeld worden dat machtsevenwicht weerspiegelen. Als rechters afwezig blijven aan de tekentafel, zullen hun belangen niet worden verdedigd, en dus onrechtstreeks ook niet de belangen van de rechtszoekenden. Als men blijft vasthouden aan het idee dat de bestaande trein wel kan worden opgelapt, dan zal men blijven sukkelen van panne naar panne.
De tijd voor halve maatregelen is voorbij. Wat nodig is, is een institutionele herbronning. Rechters moeten beseffen dat digitalisering hen aangaat, niet als gebruikers maar als fundamentele actoren. Ze moeten hun stem laten horen, hun noden definiëren en zich positioneren als mede-eigenaar van het digitaliseringsproject. Minister Verlinden moet op haar beurt durven breken met het verleden en de moed hebben om lopende contracten in vraag te stellen. Ze moet het verschil tussen parket en rechterlijke macht ernstig nemen en een beleid voeren dat recht doet aan die dualiteit. En bovenal moet ze kiezen voor een agile strategie die stap voor stap werkt aan een parallel digitaal traject, waarin fouten kunnen worden gemaakt, getest en gecorrigeerd.
Conclusie
Zonder deze koerswijzigingen blijft de digitalisering van justitie een fata morgana – een vage belofte die telkens opnieuw vervaagt zodra men dichterbij komt. En dat is niet alleen een gemiste kans. Het is een bedreiging voor de rechtsstaat. Want een justitie die achterblijft, is een justitie die haar legitimiteit verliest. En legitimiteit, eens verloren, is bijzonder moeilijk te herstellen.
Pierre Thiriar
Deze bijdrage vertolkt louter de opinie van de auteur in persoonlijke naam.
Lees over andere opiniestukken van Pierre Thiriar.
- De Cerebro-wet: een onrealistische ambitie?
- De Cerebro-wet getoetst aan de Grondwet en het EVRM
- Databank vonnissen en arresten: waarom de Cerebro-wet nooit levensvatbaar is geweest
- Rechter moet rechtsplegingsvergoeding ambtshalve juist berekenen
- Databank van vonnissen en arresten, kroniek van een aangekondigd fiasco
- Open brief aan de voorzitter van de OVB over DIPLAD, REGSOL en DPA
0 reacties