Advocaten Algemeen Magistratuur Nieuws Studenten

Bestaat er een recht op gewapend verzet onder internationaal recht?

De veranderende juridische markt: van online consument tot cliënt! 10

‘By any means necessary!’

Medio januari slaagde Dyab Abou Jahjah er in om een etmaal lang zowat alle aandacht op te zuigen in het Vlaamse medialandschap. Aanleiding was een aanslag in Jeruzalem waarbij een Palestijn met een truck inreed op een groep Israëlische militairen. Vier militairen kwamen daarbij om het leven. De vrachtwagenchauffeur zelf werd doodgeschoten tijdens het incident. Waar de aanval binnen Israël snel werd gekwalificeerd als een ‘terroristische aanslag’, was Abou Jahjah een andere mening toegedaan. ‘By any means necessary! #FreePalestine’, aldus de activist op diens Facebook-pagina. De uitspraak ontlokte een storm van protest en bracht de krant De Standaard ertoe haar samenwerking met de man per direct op te zeggen. Abou Jahjah hield niettemin voet bij stuk en had het over ‘wettig verzet’ op grond van het volkenrecht: “every Palestinian citizen, just as any citizen anywhere in the world, living under illegal military occupation, has the right to resist that occupation, and that right is guaranteed under international law and the Geneva conventions regulating warfare” (blog, 9/1/2017). Nog volgens Abou Jahjah was de aanval vergelijkbaar met het optreden van verzetsstrijders in het door Duitsland bezette België tijdens WOII.

Dat het incident aanleiding gaf tot hevige emotionele reacties zowel ter linker- als rechterzijde behoeft weinig verwondering gezien de onverminderde gevoeligheid van de Israëlisch-Palestijnse kwestie (en des te meer gezien de eerdere aanslagen met vrachtwagens in Nice en Berlijn). Los hiervan loont het om even stil te staan bij de merites van het beweerdelijke ‘recht op verzet’.

Dit artikel wordt u aangeboden dankzij de steun van Larcier, Advocatennet.be en KnopsPublishing

Strijders en burgers in internationale gewapende conflicten

Als uitgangspunt geldt dat in een klassiek ‘internationaal gewapend conflict’ tussen twee staten onderscheid wordt gemaakt tussen ‘strijders’ en burgers. De strijders zijn in eerste instantie diegenen behorende tot de ‘reguliere’ strijdkrachten van de beide staten. Zij kunnen ten allen tijde het voorwerp uitmaken van een aanval (ongeacht plaats en tijd). Anderzijds genieten zij van het zgn. ‘combattantenprivilege’, d.w.z. dat zij onder het oorlogsrecht zijn gemachtigd om deel te nemen aan de vijandelijkheden. Bij gevangenneming door de tegenstander kunnen zij als krijgsgevangenen worden vastgehouden voor de resterende duur van het conflict conform het beschermingsregime van de Derde Conventie van Genève van 1949. Zij kunnen daarentegen niet strafrechtelijk worden vervolgd voor deelname aan de strijd, tenzij in de mate zij oorlogsmisdaden zouden hebben begaan.

Genieten ‘irreguliere’ strijders eveneens van het fameuze ‘combattantenprivilege’? Het antwoord op deze vraag is minder eenduidig. Opdat irreguliere strijders aanspraak kunnen maken op behandeling als krijgsgevangenen en bescherming genieten tegen vervolging is vooreerst vereist dat het gaat om georganiseerde groepen onder een hiërarchisch gezag, die bovendien verbonden zijn aan één van de partijen bij het conflict. Daarnaast zijn er bijkomende criteria onder de Conventies van Genève m.b.t. het dragen van een uniform of insigne, en het openlijk dragen van wapens tijdens operaties. Deze criteria zijn erop gericht om op passende wijze het onderscheid te kunnen maken tussen strijders en burgers – om zo te vermijden dat burgers in het spervuur belanden. Tot slot beklemtonen de Conventies dat irreguliere groepen het oorlogsrecht moeten respecteren.

Uit het summiere overzicht hierboven volgt onder meer dat het combattantenprivilege is voorbehouden aan georganiseerde gewapende groepen met een duidelijke bevelsstructuur. A contrario volgt hieruit dat burgers die op eigen initiatief de wapens opnemen en daden van ‘verzet’ plegen, geen machtiging kunnen putten uit het internationaal recht die hen beschermt tegen eventuele strafrechtelijke vervolging. Dergelijke ‘franc-tireurs’ zijn een wettig doelwit indien en voor zolang zij ‘rechtstreeks deelnemen’ aan de vijandelijkheden. Zij kunnen bovendien worden vervolgd voor de nationale strafrechter, bijvoorbeeld voor spionage, sabotage, doodslag of moord. Daarnaast volgt dat, zelfs wie deel uitmaakt van een georganiseerde gewapende groep, zich slechts kan beroepen op het combattantenprivilege (en de bijhorende behandeling als krijgsgevangene of ‘POW’) indien de groep in kwestie zich conform voormelde voorwaarden onderscheidt van de burgerbevolking, o.a. door het dragen van een uniform of herkenbaar insigne.

De suggestie dat verzetsstrijders in het bezette België in W.O.II een ‘recht van verzet’ genoten onder het oorlogsrecht is m.a.w. foutief – of minstens ongenuanceerd. De voorwaarden waarvan hoger sprake werden net bevestigd in de Conventies van Genève luttele jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Staten kozen er in 1949 bewust voor om geen blanco volmacht te geven aan verzetsgroepen in internationale conflicten. Het is correct dat de voorwaarden voor irreguliere strijdkrachten werden versoepeld in het Eerste Aanvullende Protocol bij de Conventies van Genève, aangenomen in 1977 (niet toevallig een periode waarin er in vele uithoeken van de wereld grote sympathie bestond voor zgn. nationale bevrijdingsbewegingen). Anderzijds blijven ook onder dit Protocol bepaalde voorwaarden overeind (zoals de openlijke wapendracht en de vereiste van organisatie). De versoepelde voorwaarden uit het Protocol bleken in illo tempore overigens hoogst controversieel en verklaren waarom een aantal landen, waaronder Israël en de VS, ervoor kozen om het instrument niet te ratificeren.

Uiteindelijk is de enige situatie waarin het oorlogsrecht individuen machtigt om op een niet-georganiseerde manier, en zonder uniform of insigne, deel te nemen aan de strijd deze van de levée en masse. Het gaat om de situatie waarin individuen spontaan de wapens opnemen om aan een buitenlandse invasie het hoofd te bieden. Het gaat om een tijdelijk en in essentie historisch fenomeen. Eens de invasie een feit is en de vreemde mogendheid controle verwerft over grondgebied van de andere staat vereist het oorlogsrecht in ieder geval opnieuw dat irreguliere strijders zich organiseren en zich passend gaan onderscheiden van gewone burgers.

Tot slot een laatste, niet onbelangrijke, opmerking. Het feit dat irreguliere strijders of individuele ‘verzetslieden’ niet beantwoorden aan de voormelde voorwaarden, betekent niet dat ze geen enkele bescherming genieten onder het oorlogsrecht. De pogingen van de Bush-administratie om na de aanslagen van 9/11 een derde categorie van ‘onwettige strijders’ te creëren die eenvoudigweg tussen de mazen van de Conventies van Genève zou vallen, zijn grotendeels verworpen in rechtspraak en rechtsleer. Deze personen genieten alleszins van een zekere minimumbescherming, m.i.v. bepaalde minimumgaranties op het vlak van het recht op een eerlijk proces.

Strijders en burgers in niet-internationale gewapende conflicten

Bestaat er een recht op verzet in het kader van ‘burgeroorlogen’ en andere niet-internationale conflicten? Kort gesteld is het antwoord negatief. De ideeën uit de politieke filosofie van Locke en anderen met betrekking tot een recht op revolutie hebben zich niet juridisch vertaald naar het volkenrecht. Kortom: er bestaat geen ‘interne’ variant op het essentieel interstatelijke ‘jus ad bellum’. Burgers die uit onvrede de wapens opnemen tegen de overheid doen dit op eigen risico. Omgekeerd belet het volkenrecht de overheid niet om binnenlands verzet gewapenderhand te onderdrukken, mits zulks gebeurt met respect voor – waar toepasselijk – de internationale mensenrechtenstandaarden en het oorlogsrecht. Het concept van ‘combattantenprivilege’ kent geen plaats in niet-internationale gewapende conflicten. Leden van rebellengroepen die worden gevangengenomen kunnen m.a.w. worden vervolgd voor de nationale strafrechter telkens hun deelname aan de strijd aanleiding geeft tot bepaalde strafbare feiten (zoals moord). Staten hebben zich er in 1949 en ook daarna steeds tegen verzet om gewapende groepen in niet-internationale conflicten een vorm van combattantenprivilege (en bijhorende ‘POW’-status) toe te kennen – dit uit schrik om gewapend verzet aan te wakkeren en rebellengroepen een vorm van legitimiteit te verlenen.

Het gevolg is dat het oorlogsrecht in niet-internationale gewapende conflicten geen wezenlijk verschil in behandeling voorziet voor rebellengroepen die het oorlogsrecht respecteren (o.m. door zich te onderscheiden van de burgerbevolking) en gewapende groepen die dit niet doen. Leden van beide groepen lopen bij gevangenneming risico op vervolging (met, afhankelijk van de nationale wetgeving, mogelijk de doodstraf tot gevolg). Het enige wat het Tweede Aanvullende Protocol uit 1977 vooropstelt, is dat de autoriteiten er bij het einde van het conflict naar moeten ‘streven’ om een ‘zo ruim mogelijk amnestie’ te verlenen aan zij die aan de strijd hebben deelgenomen. De afwezigheid van enige vorm van combattantenprivilege in niet-internationale conflicten impliceert dat rebellengroepen een beperktere incentive hebben om het oorlogsrecht te respecteren. Dit wordt veelal gezien als een belangrijke reden waarom oorlogsmisdaden veel meer schering en inslag zijn in niet-internationale conflicten.

Nationale bevrijdingsoorlogen

Zoals hoger vermeld, kent het volkenrecht geen recht van verzet van burgers ten aanzien van de eigen overheid. In de jaren ’60 en ’70 toonden vele ontwikkelingslanden en socialistische landen zich niettemin voorstander om – voortbouwend op het recht op zelfbeschikking – een dergelijk recht van verzet te erkennen, althans in hoofde van zogeheten ‘nationale bevrijdingsbewegingen’ die streden tegen koloniale overheersing, vreemde bezetting of tegen een racistisch (apartheids-)regime. Vele landen waren tevens van oordeel dat dergelijke bevrijdingsbeweging gewapende steun kon verkrijgen van derde landen.

Deze voorstellen stootten echter (weinig verrassend) op tegenwind uit westerse hoek. Resultaat van deze tegenstelling was dat in de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN steeds bewust ambigue taal werd gehanteerd. De resoluties verwezen weliswaar naar het ‘legitieme verzet’ van nationale bevrijdingsbewegingen, maar lieten veelal in het ongewisse of daar ook ‘gewapend verzet’ onder mocht worden verstaan. Zo kon ieder land de resoluties naar goeddunken interpreteren.

Per slot van rekening is de enige positiefrechtelijke regel van internationaal recht die uit het hele debat is voortgekomen de bepaling uit het Eerste Aanvullende Protocol van 1977 die ‘nationale bevrijdingsoorlogen’ kwalificeert als ‘internationale’ eerder dan als ‘niet-internationale’ gewapende conflicten (Artikel 1(4) van het Protocol). Het gevolg van deze bepaling is o.m. dat, in die situaties waar het Protocol van toepassing is, gewapende ‘bevrijdingsbewegingen’ aanspraak kunnen maken op het combattantenprivilege – althans wanneer zij voldoen aan de voorwaarden die eerder werden uiteengezet met betrekking tot irreguliere strijdkrachten in internationale conflicten. Anderzijds dient vastgesteld dat het idee van ‘nationale bevrijdingsoorlogen’ vooral werd gelinkt aan de strijd tegen koloniale overheersing. Het hedendaagse belang van het begrip is onduidelijk. Een aantal staten (waaronder Israël) heeft zich overigens steeds verzet tegen het fameuze Artikel 1(4), en heeft, mede omwille van deze bepaling, steeds geweigerd om het Protocol te ratificeren.

Slotbeschouwing

Het voorgaande (summiere) overzicht toont dat het internationaal recht – in weerwil van de uitspraken van de heer Abou Jahjah – niet voorziet in een veralgemeend recht van gewapend verzet in hoofde van individuen in bezet gebied. Zo ook voor de Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem of de Westelijke Jordaanoever. Dat de Israëlische overheid zich bezondigt aan inbreuken op het volkenrecht – o.m. door de aanhoudende bezetting zelf, maar ook door de bouw van nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (en ogenschijnlijk aan versneld tempo sinds de inauguratie van President Trump) – verandert deze uitkomst niet. Per slot van rekening creëert een inbreuk in hoofde van de ene partij in beginsel geen recht in hoofde van de andere partij. Of nog: ex injuria jus non oritur

Auteur: Tom Ruys – Docent Internationaal publiekrecht

Op zaterdag 13 mei 2017 vormen de gebouwen van de Gentse rechtsfaculteit het terrein voor  het “TIJGERfeest” (Tweehonderd Intrigerende Jaren GEntse Rechtsfaculteit), waarbij de faculteit haar deuren opent voor studenten, alumni en andere belangstellenden (Registreer u alvast voor dit feest).

 

Bevoorrechte partners van het Tijgerfeest:

         Knops Publishing            advocatennet

Opmerking plaatsen

X