Advocaten Fiscalisten Nieuws

De aftrek van btw met betrekking tot het kunstgras van de voetbalclub

Geschreven door Jubel

De Belgische voetbalclubs worden blijkbaar de laatste tijd geconfronteerd met grondige BTW-controles.

Hierbij gaat het dan om de aftrek van BTW op de kosten m.b.t. het voetbalstadion, de sportbeoefening, het onderhoud van het voetbalveld, het aanleggen van kunstgras, enz …

Het probleem ontstaat daar waar deze voetbalclubs VZW’s zijn die volgens de administratie een vrijgestelde belastingplichtige zijn op grond van art. 44 WBTW. De clubs zijn nl. instellingen zonder winstoogmerk die zich bezighouden met sportbeoefening en zijn in die zin vrijgesteld van BTW.

Krachtens art. 44 § 2, 3° BTW-Wetboek zijn van btw vrijgesteld, de diensten verstrekt door sportclubs aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, voor zover de club geen winstoogmerk heeft en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan.[1] Iedere sportvereniging die haar leden in de mogelijkheid stelt een bepaalde sport te beoefenen, door de terbeschikkingstelling van uitrustingen, het geven van leiding,… en ongeacht of die vereniging daartoe al dan niet over een vaste infrastructuur beschikt, komt in aanmerking voor de vrijstelling.[2]

Vele clubs kunnen evenwel ook een gemengde belastingplichtige zijn volgens de administratie, nl. wanneer zij naast de sportbeoefening ook een kantine of een cafetaria uitbaten of inkomgelden vragen voor sportmanifestaties.[3]

Vele clubs innen ook nog lidgelden en in sommige gevallen zijn deze lidgelden onderworpen aan BTW. Aldus zijn de clubs dan volgens de administratie gemengde belastingplichtigen met enerzijds een vrijgestelde activiteit uit de sportbeoefening en anderzijds een belastbare activiteit wegens het exploiteren van de cafetaria, het vragen van inkomgelden en eventueel het ontvangen van lidgelden.[4]

Wat betreft deze bijkomende diensten kan in de regel geen aanspraak worden gemaakt op de BTW-vrijstelling.[5]

In veel gevallen probeert de administratie dan de aftrek van BTW te beperken volgens een verhoudingsgetal tussen de totale inkomsten en de inkomsten uit de met BTW belaste activiteit.

De vraag is of dit correct is.

Wanneer de VZW inkomgelden ontvangt en een cafetaria exploiteert, maar verder alleen maar wedstrijden organiseert (waarvoor dus de inkomgelden betaald worden) en er geen andere sportactiviteiten zijn, dan lijkt het mij dat deze VZW’s geen gemengde belastingplichtigen, maar volledige belastingplichtigen zijn.

De kosten voor aanleg van het voetbalstadion, het kunstgras, het onderhouden van de lokalen, het kopen van voetbaltruitjes en dergelijke meer, hebben dan volledig betrekking op een BTW-plichtige activiteit, nl. het verlenen van toegang tot sportaccommodaties en het exploiteren van een cafetaria.

Op dat moment zijn deze kosten niet gerelateerd aan een van BTW vrijgestelde activiteit, want die is er niet.

Het organiseren van voetbalwedstrijden en het vragen van inkomsten is een activiteit die onder BTW ressorteert. In die situatie zou er m.i. dan ook volledig recht op aftrek moeten zijn. Er is geen reden om het recht op aftrek te beperken.

De situatie kan anders zijn wanneer, naast het organiseren van wedstrijden, er ook een voetbalonderricht wordt gegeven of sportactiviteiten worden ingericht. Onder actieve sportbeoefening valt ook het aanleren van de sport.[6] Ik denk bv. aan het organiseren van wedstrijdjes voor kinderen, het organiseren van sportkampen en dergelijke, hierbij er van uitgaande dat deze activiteiten geen inkomsten opbrengen.

In de mate dat hiervoor geen bijdrage moet worden betaald, zou men kunnen stellen dat er naast een BTW-activiteit ook een activiteit ontwikkeld wordt die niet onderworpen is aan BTW. Deze clubs zijn dan geen gemengde belastingplichtige in de zin zoals men dit begrijpt volgens de BTW-administratie. Ze hebben immers geen inkomsten uit twee verschillende soorten activiteiten, nl. de vrijgestelde activiteiten en de belaste activiteiten. In deze situatie hebben we te doen met een gedeeltelijke belastingplichtige, waarbij er een belaste activiteit is, en een activiteit die niet onderworpen is aan BTW. Dit is verschillend van een van BTW vrijgestelde activiteit.[7] In het geval van een gedeeltelijke belastingplichtige moet eventueel de aftrek beperkt worden volgens een bijzondere regel, een bijzonder verhoudingsgetal.

Zou het geven van sportonderricht wel tegen betaling gebeuren, dan hebben we te maken met een vrijgestelde activiteit en dus met een gemengde belastingplicht. Lidgeld betaald voor het beoefenen of aanleren van een sport waarbij gebruik mag gemaakt worden van de infrastructuur en de uitrusting, valt onder de vrijstelling.[8]

In dat geval moeten de kosten toegewezen worden aan de vrijgestelde activiteit, dan wel aan de belaste activiteit en alleen voor kosten die op de beide activiteiten betrekking hebben moet dan een verhoudingsgetal berekend worden.[9]

Deze situatie is natuurlijk alleen beperkt tot deze waarin er sportactiviteiten zijn die vrijgesteld blijven van BTW en het niet gaat om het ontvangen van inkomgelden, of met andere woorden het verlenen van recht op toegang en gebruik van sportaccommodaties. In BTW bestaat nog altijd de regel dat alle kosten die betrekking hebben op een belaste activiteit vrij moeten zijn van BTW.

Vele clubs ontvangen ook subsidies van gemeenten of andere instellingen. Dergelijke subsidies zullen in de regel het recht op aftrek niet in het gedrang brengen.[10] Het recht op aftrek is immers niet gekoppeld aan inkomsten. Het recht op aftrek is gekoppeld aan handelingen. Dat moeten, ofwel belaste handelingen zijn (recht op aftrek), of vrijgestelde handelingen (geen recht op aftrek).

Inkomsten op zichzelf zullen het recht op aftrek dus niet beïnvloeden, tenzij in zeer beperkte mate, nl. als er voor het verwerven van de subsidies specifieke kosten moeten gedaan worden. Dan zou men kunnen stellen dat er voor dergelijke kosten geen recht op aftrek is.

In de meeste gevallen zal zich dat echter niet voordoen. De subsidies waar we het hier over hebben zijn dan algemene werkingssubsidies die niet gekoppeld zijn aan één of andere belaste handeling.

Zou men te doen hebben met subsidies die wel gekoppeld zijn aan een prijs, aan een handeling, dan tellen deze wel mee in een verhoudingsgetal. Het gaat dan om subsidies in de aard van dat voor elke bezoeker die een inkomgeld betaalt in het stadion, de gemeente bv. nog 1 euro of 2 euro zou opleggen. In dergelijke situaties betaalt de overheid een deel van het inkomgeld en moet over dergelijke subsidie wel BTW afgedragen worden. Deze subsidie is inzake BTW dan te beschouwen als een inkomen uit een belaste handeling.

Hebben we te maken met een gemengde belastingplichtige, die zowel belaste als vrijgestelde handelingen stelt, dan is dergelijke subsidie wel te begrijpen in de omzet voor het berekenen van een verhoudingsgetal.[11]

Dat verhoudingsgetal is dan alleen van toepassing om de aftrek van BTW te bepalen met betrekking tot “gemengde” kosten, nl. kosten die zowel op de vrijgestelde, als op de belaste activiteit betrekking hebben (zie supra).

Henri VANDEBERGH
Annemiek LEWANDOWSKI

Gevaco Advocaten

Nieuwsbericht van 15 januari 2018.

 

Referenties


[1] C. BUYSSE, “Sportwedstrijd om de kas te spijzen : met vrijstelling van BTW”, Fiscoloog 1218, 8.

[2] BTW-Vandewinckele, art. 44, §2, 3° Wbtw, 44/27, 134.

[3] Besl. Nr. E.T. 119.653 dd. 11 juli 2011. De organisatie van een dergelijk sportevenement met het verkrijgen van financiële steun voor de vrijgestelde activiteit kan eventueel van de vrijstelling vervat in art. 44, §2, 12° WBTW genieten. Deze vrijstelling kan, gelet op het regelmatige karakter van de handelingen, geen toepassing vinden wanneer het verlenen van het recht op toegang tot wedstrijden door sportverenigingen wordt georganiseerd in het kader van een gereglementeerde competitie; zie ook H. VANDEBERGH (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Brussel, 2014, 679.

[4] K. HEYRMAN, “De BTW-vrijstelling voor sportclubs, opgericht als VZW: mag er winst gemaakt worden en is BTW verschuldigd over de lidgelden?”, T.F.R. 225, 720.

[5] BTW-Handleiding ,nr. 320.

[6] V. & A. Kamer 2004-2005, nr. 85 van 4 juli 2005, p. 14.740; Parl. Vr. nr. 862 dd. 4 oktober 1994, Vr. en Antw. Senaat 1994-95, nr. 133, 7013; BTW-Vandewinckele, art. 44, §2, 3° Wbtw, 44/28, 262.

[7] Voor het verschil tussen een gemengde en een gedeeltelijke belastingplichtige :zie Btw-Handleiding, nrs. 109/1 en 109/2; H. VANDEBERGH (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Brussel, 2014, 1018 e.v.

[8]  K. HEYRMAN, “De BTW-vrijstelling voor sportclubs, opgericht als VZW: mag er winst gemaakt worden en is BTW verschuldigd over de lidgelden?”, T.F.R. 225, 720.

[9] H. VANDEBERGH (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Brussel, 2014, 1018 e.v.

[10] HvJ 10 oktober 2005, nr. C-204/03, Commissie t. Koninkrijk Spanje; H. VANDEBERGH (ed.), BTW-Handboek, Larcier, Brussel, 2014, 1054 e.v.

[11] Fiscaal Praktijkboek Indirecte Belastingen 2012-2013, Wolters Kluwer, Mechelen, 2012, 81 e.v.

Opmerking plaatsen

X