Expertise

De grenzen van fiscale aftrekbaarheid van management fees

Geschreven door BIBF

Het uitbetalen van management fees wordt vaak gebruikt om aan winstverschuiving te doen. Wat is geoorloofd, en wat niet ? Gewoonlijk maakt een exploitatievennootschap winst; terwijl een patrimoniumvennootschap meestal verlies lijdt. Ze heeft meer kosten dan opbrengsten en gaat gebukt onder de afschrijving, het onderhoud van gebouwen en/of tuinen.

Wat is er nu aantrekkelijker dan de winst die normaal bij de exploitatievennootschap zou worden belast, over te hevelen naar de patrimoniumvennootschap waar zij fiscaal geneutraliseerd wordt door verliezen? Het resultaat is dat beide vennootschappen weinig of geen belastingen betalen. Niet te verwonderen dat de administratie dit met argusogen volgt en paal en perk wil stellen aan deze eenvoudige fiscale optimalisatietechniek. De administratie doet dit door de fiscale aftrekbaarheid van de betaalde vergoedingen te verwerpen [1]. Kan dit zomaar?

Voorwaarden van aftrekbaarheid

Laat ons eerst eens teruggrijpen naar artikel 49 WIB 1992, waarin de voorwaarden van de aftrekbaarheid van de beroepskosten wettelijk worden opgesomd. Om fiscaal aftrekbaar te zijn, moeten de beroepskosten door de belastingplichtige worden gedaan of gedragen tijdens het belastbaar tijdperk om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan de echtheid van het bedrag moet worden verantwoord d.m.v. bewijsstukken.

Samengevat kwam het erop neer dat tot en met 2015 een normaal bewijs van de uitbetaalde management fees kon geleverd worden aan de hand van een geschreven overeenkomst tussen exploitatievennootschap en managementvennootschap, de uitgaande facturen die door de managementvennootschap werden uitgereikt, de betalingen die de door exploitatiemaatschappij werden verricht en het opnemen in de boekhouding van al die transacties.

Het hoeft geen verwondering te wekken dat dit louter bewijs op “papier” aanleiding heeft gegeven tot veel misbruiken en zoals steeds moeten de goeden het met de slechten stellen als de rechtspraak bepaalde vluchtroutes dichttimmert.

Bewijs van werkelijke prestaties

Het Cassatiearrest van 15 oktober 2015 is het mijlpaalarrest in deze materie op basis waarvan de louter papieren planningstechniek de pas werd afgesneden. Het hoogste Hof oordeelde:

“Artikel 49, eerste lid, WIB 1992 waarin de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden worden geformuleerd, laat in beginsel niet toe kosten af te trekken die niet aan werkelijke prestaties beantwoorden” (Cass., 15 oktober 2015, Fisc. Act. 2015, 40/1).

Let op de voorwaarde “werkelijke prestaties” die wordt geïntroduceerd. Eigenlijk introduceert het hoogste Hof daarmee een voorwaarde die eigenlijk niet zo letterlijk in de wet staat.

Toch is het de belastingplichtige aan te raden om zich naar die rechtspraak te schikken. Het gevolg van dit arrest is dat de belastingplichtige voortaan het bewijs moet leveren dat de kosten waarvan hij de aftrek vraagt, beantwoorden aan werkelijk geleverde prestaties. In dit arrest werd benadrukt dat het van primordiaal belang is om het bestaan van de werkelijke onderliggende diensten te bewijzen die door de managementvennootschap ten behoeve van de genieter van de diensten worden geleverd.

Het hoogste Hof benadrukte eveneens dat een dergelijk bewijs niet meer wordt geleverd door enkel aan te tonen dat een schriftelijke dienstverleningsovereenkomst werd afgesloten, er facturen werden opgemaakt en betalingen werden uitgevoerd die in de boekhouding werden opgenomen. Zelfs niet als dat bewijs wordt gekoppeld aan het bewijs dat de omzet van de genieter van de diensten elk jaar stijgt. Er moet ook economische substantie zijn. Het credo “substance-over-form” wordt de norm bij de beoordeling van de fiscale aftrekbaarheid van management fees.

Het Hof van Cassatie kiest in 2015 duidelijk voor de zgn. “substance-over-form” toetsing waarbij de focus niet meer zozeer ligt op de boekhoudkundige documenten maar eerder op het bewijs van het bestaan van de werkelijke onderliggende diensten. In wezen verwijst het hoogste Hof naar de administratieve commentaren in het verslag aan de Koning dat betrekking heeft op een koninklijk besluit van 20 december 1996 (KB van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, BS 31 december 1996, 4e ed.). Daarin werd benadrukt dat het werkelijk bestaan van de onderliggende diensten voor management fees een doorslaggevend argument is om de aftrek in de vennootschapsbelasting te kunnen genieten.

Met die commentaar in het verslag aan de Koning voor ogen, wekt het zelfs verwondering dat de rechtspraak ooit een louter op papieren documenten gestoeld bewijs heeft aanvaard om de aftrek van betaalde management fees toe te staan en dat het bijna twintig jaar heeft moeten duren alvorens de werkelijkheidsvoorwaarde effectief in de praktijk werd toegepast.

Bewijsmiddelen

[…]

Voetnoten: 

[1] S. Van Crombrugge, “De vennootschap met rechtspersoonlijkheid als instrument van fiscale planning in de 21ste eeuw”, in Actuele fiscale thema’s, Biblo, 2007, 99. Zie ook: A. Haelterman, Vennootschapsbelasting doorgelicht, 2012, die Keure, 128.

Geïnteresseerd in het vervolg van deze bijdrage?

Dit artikel van mr. Werner Niemegeers is eerder verschenen in het tijdschrift “Pacioli” (nr. 478).

U kan het volledige artikel integraal raadplegen via de website van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF).

 

Werner Niemegeers, stichtend advocaat-vennoot Empire Law Firm.

 

 

Opmerking plaatsen

Uw naam wordt privé weergegeven op de website en is niet zichtbaar voor anderen. Uw e-mailadres wordt opgeslagen maar niet gepubliceerd.

X