Rechtuit

Einde van de jackpot voor sommige advocaten?

Geschreven door Hugo Lamon

LAMON op woensdag

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse Balies.
Iedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

Wat kost een advocaat? Het is een vaak gestelde vraag, waar de cliënt nog te zelden een duidelijk antwoord op krijgt. De wet zegt enigszins cryptisch: “de advocaten begroten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht” (art. 446 ter Ger.W.). Het betekent dat het om “een partijbeslissing” mag gaan, wat eigenlijk wil zeggen dat de advocaat op het einde van de zaak eenzijdig mag bepalen hoeveel hij aanrekent voor zijn diensten. Het zinnetje uit het gerechtelijk wetboek dateert nog uit de tijd dat het voor een advocaat verboden was om provisies te vragen (want dat was toen strijdig met de waardigheid van het beroep) en de advocaat dus braaf het resultaat van de procedure diende af te wachten, waarbij hij dan het ereloon kon bepalen rekening houdend “onder meer met de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk”. Enkel wanneer de advocaat overdreef kon de raad van de orde het ereloon verminderen en meteen ook de advocaat daarvoor tuchtrechtelijk vervolgen. De wet werd niet veranderd toen die tuchtbevoegdheid werd overgedragen aan de tuchtraden.

De vraag of het nog wel van deze tijd is dat een advocaat zelf mag bepalen hoeveel hij mag verdienen is al lang voorwerp van discussie, ook binnen de advocatuur zelf. Zeker wanneer een zaak succesvol wordt afgerond – en nog meer wanneer een zaak onverwachts goed uitdraait – is bij sommige advocaten de verleiding groot om zichzelf op het einde van de rit goed te bedienen, waarbij het goede resultaat een soort jackpot wordt. Wanneer de cliënt zich daar vooraf niet bewust van was, of soms wel hierover bewust onwetend werd gehouden, zorgt dit voor discussies en een slechte reputatie voor de ganse beroepsgroep.

Er is vanuit het Europees recht (de dienstenrichtlijn en richtlijn consumentenbescherming) wel een informatieverplichting, die maakt dat, wanneer de cliënt erom verzoekt, de advocaat ertoe verplicht kan worden om vooraleer hij prestaties verricht minstens te melden hoe hij zijn ereloon zal berekenen (een uurloon of een forfait, al dan niet gecombineerd met een succesfee, enz…).

De minister van justitie wil het beroep van advocaat moderniseren en vroeg daarom aan twee experten om hierover een rapport te schrijven. Nu wil de minister op grond van de voorstellen van die experten een aantal wetswijzigingen. De minister heeft al bij herhaling en publiekelijk gezegd dat in zijn wetsontwerp niets zal staan wat niet wordt gedragen door de Orde van Vlaamse Balies én de Franstalige tegenhanger (OBFG).

De ministeriële experten stelden voor om de in art. 446 ter Ger.W. voorziene partijbeslissing af te schaffen. Het zou betekenen dat advocaten op dezelfde positie worden geplaatst als alle andere dienstverleners. Advocaten zouden dan afspraken moeten maken met hun cliënten, zonder dat die laatsten nog op het einde van een zaak kunnen worden verschalkt. De algemene vergadering van de OVB vindt dit een logisch voorstel, vooral omdat er ook in de wet zou staan dat er nog een toezicht zou blijven bestaan op de hoogte van het ereloon. Uit het cassatiearrest van 24 maart 2016 werd immers reeds afgeleid dat die controle het algemeen belang dient (en van openbare orde is) en de wet zou op dat punt niet wijzigen.

Met een dergelijke wetswijziging zou de advocatuur uit de schemerzone treden van onduidelijke afspraken en van de op slinkse wijze opgestelde gepeperde facturen. Het zou de advocatuur ook een moderner imago geven. Het betekent ook dat de transparantie zal moeten leiden tot duidelijke afspraken, zodat de cliënt weet waar hij aan toe is. Want of je nu een loodgieter, schrijnwerker, architect, accountant of advocaat raadpleegt, je zit als consument (of als afnemer van de dienst) altijd met dezelfde – legitieme – vraag: wat gaat het kosten? En is het niet in het belang van de ganse beroepsgroep dat de advocatuur hierop ook een duidelijk antwoord geeft?

Je hoort sommige advocaten al denken: ja maar, we kunnen nooit op voorhand weten hoe een procedure uitdraait en we kunnen de kostprijs nooit op voorhand bepalen (het zijn immers geen “homogene diensten”). Ook al is dat soms zeker zo, de berekeningsmethode kan wél altijd vooraf worden bepaald. En heeft de cliënt trouwens ook geen recht op een kostenefficiënte afhandeling van zijn zaak? En wat kan er tegen zijn om die open deur van de eenzijdige partijbeslissing dicht te trekken en voluit te gaan voor een contractuele vrijheid die gebaseerd is op een wilsovereenstemming tussen de cliënt en zijn advocaat?

Hugo LAMON

Mr. Hugo LAMON is advocaat aan de balie Limburg en bestuurder en woordvoerder van de Orde van Vlaamse BaliesIedere woensdag maakt hij op Jubel een persoonlijke beschouwing over justitie.

In de onderstaande videoboodschap van mr. Lamon kadert hij de column van deze week, en nodigt daarbij alle belangstellenden uit tot verdere reflectie en maatschappelijk debat.

2 Comments

  • Geachte Confrater,

    met aandacht las ik, zoals elke week, uw opiniestuk op Jubel.be. Sta mij toe het niet helemaal eens te zijn met de inhoud ervan.
    Uiteraard heeft een consument het recht om te weten hoeveel een dienst hem zal kosten. Nochtans is de kritiek van sommigen, die u aanhaalt, niet totaal misplaatst: wij weten als advocaat nooit hoe een zaak zal uitdraaien. De parameters voor de berekening van ereloon vastleggen kan wel, maar enkele van die parameters zullen steeds onzeker zijn: Zullen er bepaalde dringende tussenkomsten vereist zijn, wat zal het uiteindelijk resultaat zijn,…? Er zullen dus altijd verschillende per definitie onvoorspelbare factoren het uiteindelijke ereloon bepalen.

    Daarnaast, nog belangrijker, komt het mij voor dat de cliënt uiteindelijk slechter (lees: duurder) af zal zijn bij een zuiver cijfermatige berekening van het ereloon (uurloon X aantal uren) dan bij een billijke partijbeslissing.

    Waar er thans door het overgrote deel van onze beroepsgroep gestreefd wordt naar een billijk, matig ereloon rekening houdend met alle u gekende factoren (inzet, urgentie, vereiste expertise, financiële draagkracht van de cliënt, resultaat,…), zal deze billijkheid vaak achterwege blijven indien wij gewoon elke minuut kunnen aanrekenen aan het vooraf afgesproken tarief. Zo lang de rekening cijfermatig klopt (contract + timesheet) zal de cliënt niet kunnen protesteren.

    Een en ander kadert m.i. in een algemene maatschappelijke tendens van principieel wantrouwen t.o.v. mekaar en van het zoveel mogelijk indekken van verantwoordelijkheid (ook wel “parapluwerk” genoemd): Zo lang alles formeel en procedureel in orde is, is er geen probleem.

    Het wantrouwen waarvan sprake is het gevolg van excessen die zich af en toe voordoen. Hoewel deze excessen zeer beperkt zijn in aantal, worden zij breed uitgesmeerd in de media. Politici schieten dan meteen in een hysterische kramp en werken – vaak onvolkomen – wetgeving uit om “dergelijke schandalen in de toekomst te vermijden”. Het zeer betreurenswaardig effect is evenwel steeds dat elke burger/elke ondernemer door deze wetgeving mee “gesanctioneerd” wordt.

    – Een losgeslagen advocaat knoeit met zijn derdenrekening? Eke advocaat moet één keer per jaar heel zijn derdenrekening uit de doeken doen.

    – Een Brits bedrijf knoeit met persoonsgegevens van Facebook? De bakker om de hoek kan zijn klanten geen met hun naam bedrukte brooddoos meer cadeau doen zonder de drukker een privacyverklaring te laten opstellen als “gegevensverwerker”.

    – Bepaalde advocaten blijken niet meer mee met de actualia in bepaalde rechtstakken? Elke advocaat moet 20 uur per jaar opleiding volgen.

    Zo dus ook met het ereloon. U stelt zeer terecht dat bepaalde advocaten de partijbeslissing misbruiken om hun cliënt eerst in het ongewisse te laten en vervolgens schandalige erelonen aan te rekenen. Het is zeer goed dat dit fenomeen aangepakt wordt. Maar moet dit echt door de partijbeslissing af te schaffen? In antwoord op deze vraag dringen twee belangrijke vragen zich op:

    1. Bestaan er nu nog niet voldoende middelen om de “nestbevuilers” aan te pakken? Ik denk van wel. De rechtbank beschikt over een matigingsbevoegdheid, desgevallend op advies van de Orde. Daarnaast is er ook een palet aan tuchtsancties voorhanden.

    2. Zal de afschaffing van de partijbeslissing de excessen uit de wereld helpen ? Opnieuw is het antwoord m.i. negatief.

    Denkt de Orde werkelijk dat een advocaat die wil knoeien met zijn derdenrekening, dit plots niet meer gaat doen omdat hij één keer per jaar een overzicht moet maken? Nee, die advocaat gaat blijven knoeien, doch hij gaat het nog beter verdoezelen. Ondertussen zijn de brave cliënten hun centen wel kwijt.

    Denkt het Europees Parlement werkelijk dat er geen persoonsgegevens meer zullen misbruikt worden dankzij de GDPR? Nee, het misbruik zal verder duren, alleen zal de consument dit aanvaarden door die vervelende pop-up met een link naar een ellenlange privacyverklaring weg te klikken met één druk op “ik aanvaard de privacyvoorwaarden”.

    Denkt de Orde dat de advocaat veel wijzer zal worden door de verplichte 20 lesuren? Nee, hij zal wijzer worden van de 10 interessante uren die hij hoe dan ook zou gevolgd hebben, ook zonder verplichting. Vervolgens zoekt hij nog eens 10 zo goedkoop mogelijke uren opleiding tijdens dewelke hij wat administratie kan inhalen waar hij al lang geen tijd voor heeft. Men kan een advocaat immers verplichten een opleiding bij te wonen, maar men kan hem niet verplichten ook te luisteren.

    Meteen komt het absurde van wat ik de “indekkingspolitiek” zou noemen naar voren. Alle strikte procedures die er zogezegd toe strekken schandalen te vermijden, nodigen alleen maar uit om de grenzen van deze procedures op te zoeken. Jammer genoeg gaan op die manier ethische grenzen verloren.
    Inderdaad en enigszins paradoxaal leidt een teveel aan gedetailleerde juridische normen juist tot ethische normvervaging. Hoe meer men bepaalde handelingen gedetailleerd gaat verbieden, hoe meer het principe geldt: wat niet verboden is, is toegelaten. Uw handelen mag zo volstrekt moreel verwerpelijk zijn, zo lang u de wettelijke procedures maar volgt is alles ok.

    U stelt in uw opiniestuk dat de advocatuur uit de schemerzone moet treden. Hierbij gaat u ervan uit dat een schemerzone per definitie gevaarlijk is. Ik deel die mening niet. Er is helemaal niets mis met een schemerzone, enkel met de mensen die hiervan misbruik maken. We hebben dus helemaal geen nood aan het doen verdwijnen van de schemerzone rond het ereloon, wel van het misbruik van deze schemerzone.

    Uiteraard moet er tussen cliënt en advocaat duidelijk gecommuniceerd worden en heeft de cliënt altijd het recht te weten waar hij, ereloongewijs, aan toe is. Er is echter niets mis met een gezonde dosis basisvertrouwen in mekaar. Het is overigens vreemd te verwachten van een cliënt dat hij zijn advocaat in die mate vertrouwt dat hij zijn soms levensbelangrijke zaak in de handen legt van deze advocaat, maar van die cliënt niet hetzelfde vertrouwen te kunnen verwachten als het gaat over de bepaling van het ereloon.

    Er is evenmin iets mis met het lef om toe te geven dat het een illusie is te denken dat misbruik kan worden voorkomen zo lang er maar een goeie wet is. Er zullen altijd onethische stielbedervers bestaan wiens misbruik niet te vermijden is, enkel te beteugelen. Maar dit beteugelen gebeurt nu al en daar hebben we heus geen afschaffing van de partijbeslissing voor nodig. Men gaat – opnieuw – het kind met het badwater weggooien.

    Zonder de illusie te koesteren dat bovenstaande reflectie van groot belang zou zijn hield ik er toch aan u deze “dissenting opinion” over te maken in de hoop het debat binnen onze beroepsgroep gaande te houden.

    Met respectvolle en confraternele groet,

    Servaas LINDEMANS

  • Prachtig confrater Lindemans
    Ik ben het alleen niet eens met u waar u stelt dat er niets mis is met een schemerzone.
    Ik vermoed dat het hier om een ongelukkige woordkeuze gaat die de bewering van de OVB wil counteren dat de advocatuur uit zijn schemerzone moet treden. Deze bewering veronderstelt dat de advocatuur in een schemerzone zit en de OVB ons allen in een stralend licht wil zetten, zo sterk dat sommigen de ogen zouden afwenden.
    Schemerzones zijn helemaal niet koosjer maar de bewering dat de advocatuur in een schemerzone zit is onjuist, absurd en wijst op een gebrek aan kennis van de advocatuur, ook wat betreft de openbaarheid van erelonen: die moeten immers geafficheerd zijn in het kantoor of op de website van het kantoor.
    De vergelijking met aannemers, loodgieters , architecten, accountants en schrijnwerkers is trouwens hilarisch en vormt een bewijs a contrario van de stelling van de OVB: een voorbeeld dat we allemaal kennen: het Vlinderpaleis in Antwerpen: ondanks het feit dat het hier een openbare aanbesteding betrof – en wat zou meer transparant moeten zijn dan dat – was de uiteindelijke kost bijna VIERMAAL hoger dan voorzien. Ik hoef verder geen voorbeelden te geven want ze zijn legio, ook bij andere beroepsgroepen.
    Ander voorbeeld: u zal deze week allen van uw stafhouder een schrijven gekregen hebben waarin meegedeeld werd dat de bijdrage van elke advocaat aan de OVB een veelvoud wordt van wat het vorig jaar was. Wie had dat verwacht? Blijkbaar heeft de OVB slechts op het einde van de rit gezien dat ze de uitgaven slecht onder controle heeft. Dat is – welke snoodaard zou dat durven beweren – haar schuld niet maar te wijten aan onvoorziene factoren. Transparant, niet?
    Dus wie wil sjoemelen kan dat en confrater Lindemans maakt een punt waar hij stelt dat het strikt toepassen van uurtarieven het ereloon in de meeste gevallen uit de pan doet swingen. Ook hier een voorbeeld: een kennis van me wilde uit een slecht geleide familiale vennootschap stappen en consulteerde een specialist vennootschapsrecht. Daar hij opmerkingen had over de afhandeling van de zaak sprak hij een medewerker van het betreffende kantoor aan over zijn onvrede. Deze medewerkster mailde die opmerking door aan de behandelende advocaat. Toen de kennis zijn factuur kreeg zag hij dat de betreffende mail was aangerekend. De mail betrof immers het dossier dus…
    Transparant toch, niet?

Opmerking plaatsen

X