Expertise

Fideïcommis de residuo: civiel- en fiscaalrechtelijk doorgelicht

DELBOO
Geschreven door DELBOO

Deze bijdrage is van de hand van Mark Delboo, Julie De Pooter en Lore Lemmens, advocaten bij DELBOO. Het is een herwerking van een gelijknamig artikel, gepubliceerd in het Liber Amicorum Rik Deblauwe. Het volledige artikel van de auteurs kunt u lezen in het Liber Amicorum, verkrijgbaar bij KnopsPublishing.

1. Omschrijving

Het fideïcommis de residuo is een rechtsfiguur die omschreven wordt als een gift waarbij de beschikker bepaalde goederen overmaakt aan een eerste begunstigde en waarbij bepaald wordt dat hetgeen van deze goederen overblijft, bij het overlijden van deze eerste begunstigde, zal toekomen aan een tweede begunstigde, die de beschikker tevens zelf aanwijst.

Op heden is het fideïcommis de residuo, zowel in het kader van een schenking als in het kader van een legaat, een door vermogensplanners gretig gebruikte rechtsfiguur. In België werd er echter nog steeds geen wettelijke regeling voor uitgeschreven, wat leidt tot onzekerheden en onduidelijkheden.

2. Evolutie

Doorheen de tijd werd er dan ook geprobeerd het fideïcommis de residuo te kaderen binnen reeds bestaande rechtsfiguren en rechtsregels. De wijze waarop, is in de loop der jaren geëvolueerd.

Lange tijd werd het fideïcommis de residuo omschreven als een beschikking ten voordele van de eerste begunstigde onder de ontbindende voorwaarde van zijn vooroverlijden en het niet verteren van de geschonken of gelegateerde goederen enerzijds en een beschikking aan de tweede begunstigde onder de opschortende voorwaarden van het vooroverlijden van de eerste begunstigde en het aanwezig zijn van “restgoederen” anderzijds[1].

Vroeger werd er geloofd dat de opschortende voorwaarde niet enkel de verbintenissen opschortte, maar tevens het bestaan ervan aantastte[2], zodat de tweede begunstigde in deze oude visie niet ab initio over een recht met zakelijke werking beschikte. Dit had belangrijke gevolgen voor zijn rechten.

In een poging om de positie van de tweede begunstigde te versterken, gaat de meerderheid van de rechtsleer en de rechtspraak er nu van uit dat dit een verkrijging van een actueel recht onder opschortende termijn is, met een aleatoir voorwerp[3]. Een opschortende termijn is een toekomstige maar zekere gebeurtenis, waardoor de verkrijger onmiddellijk een vast actueel recht verkrijgt met zakelijke werking[4].

Deze evolutie heeft belangrijke gevolgen. Hieronder worden er twee van deze gevolgen kort aangestipt.

  • Zakelijke subrogatie binnen een doelgebonden vermogen

De meerderheidstrekking is van mening, dat deze kwalificatie tot gevolg heeft dat er een eigendomssplitsing ontstaat in het vermogen van de eerste begunstigde, omdat de fideïcommissaire boedel een afgescheiden vermogen vormt naast het eigen vermogen van de eerste begunstigde[5]. Binnen dit afgescheiden vermogen zou er dan zakelijke subrogatie worden toegepast aangezien de tweede begunstigde reeds ab initio een recht met zakelijke werking heeft op dit fideïcommissair vermogen.

  • Beperking van de rechten van de eerste begunstigde

Hoewel een beperking op het verteren van het fideïcommissair vermogen in het vaarwater van de verboden erfstelling over de hand komt, is een groot deel van de rechtsleer en de rechtspraak het eens dat het verteren van het fideïcommissair vermogen niet op een grenzeloze wijze mag gebeuren. Hiervoor wordt er teruggegrepen naar de figuren van goede trouw en rechtsmisbruik[6].

Betreffende de beschikkingen om niet, wordt daarenboven algemeen aangenomen dan legateren niet mogelijk is, tenzij uitdrukkelijk toegelaten. Betreffende schenkingen wordt best uitdrukkelijk bepaald dat ze uitgesloten worden, indien dit gewenst is. Het Hof van Cassatie heeft deze beperking om te schenken aanvaard.

Tenslotte vloeit er tevens een belangrijke beperking voort uit de aanvaarding van de zakelijke subrogatie, die een soort onbeschikbaarheid in waarde over de fideïcommissaire goederen doet ontstaan[7].

3. Afdwingen van de verstevigde positie van de tweede begunstigde?

Om zijn versterkte positie tijdens het leven van de eerste begunstigde te beschermen en af te dwingen, zal het voor de tweede begunstigde vooreerst van belang dat hij geïnformeerd wordt omtrent welke beheers- en beschikkingsdaden de eerste begunstigde stelt. Zo kende het hof te Antwerpen in een recent arrest aan de tweede begunstigde een informatierecht toe inzake de omvang van het fideïcommissair vermogen, zowel bij de inbezitneming van de goederen als bij elke fundamentele wijziging ervan[8].

Het feit dat het hof erg uitgebreide rechten toekent aan de tweede begunstigde lijkt in grote mate geïnspireerd te zijn op de beoordeling van de werkelijke wil van de beschikker en hoe stevig hij de aanspraken van de tweede begunstigde wilde maken. Hoe sterk het bestemmingsgebonden karakter van het fideïcommissair vermogen is, is immers deels afhankelijk van wat door de beschikker bepaald wordt[9]. Zo kende hetzelfde hof in een eerder arrest, waar de beschikker vrij naar eigen wensen over het fideïcommissair vermogen mocht beschikken en waarbij geen verdere voorwaarden/lasten werden opgelegd, geen enkel controlerecht toe aan de tweede begunstigde[10].

Het komt ons dan ook voor dat hoe meer het bestemmingsgebonden karakter blijkt uit de modaliteiten van het fideïcommis de residuo (afzonderlijk beheer, verbod tot schenken, conventioneel gemoduleerde zaakvervanging enz.), hoe zwaarder de informatieplicht zal zijn die weegt op de eerste begunstigde[11]. Het lijkt ons nuttig om desgewenst in de schenkingsakte zelf reeds het recht van toezicht en het recht op informatie in hoofde van de tweede begunstigde te modaliseren door dit op te nemen als een last voor de eerste begunstigde. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen bepalen dat de eerste begunstigde jaarlijks en op verzoek van de tweede begunstigde een overzicht en staat van het fideïcommissair vermogen betreffende het voorbije jaar dient over te maken aan de tweede begunstigde.

De vraag stelt zich ten tweede over welke actiemogelijkheden de tweede begunstigde beschikt als uit de informatie zou blijken dat de eerste begunstigde de bestemming van het fideïcommissair doelvermogen heeft miskend.  In het arrest van 8 april 2015 stelt het hof uitdrukkelijk dat de tweede begunstigde geen actio ad futurum kan instellen. De precieze draagwijdte van deze bewoordingen is niet duidelijk. Indien pas na het overlijden van de eerste begunstigde effectief gesanctioneerd kan worden, impliceert dit immers dat diens nalatenschap (en derhalve de erfgenamen van de eerste begunstigde) zal gehouden zijn tot remediëring[12]. Uiteraard kan de tweede begunstigde zijn toekomstige eigendomsaanspraken op het fideïcommissair vermogen niet zomaar onmiddellijk opeisen. Hij dient de opschortende termijn te respecteren.

Maar dit impliceert ons inziens niet dat hij zomaar lijdzaam dient toe te zien bij inbreuken door de eerste begunstigde. Er zijn ons inziens aldus (rechts)middelen voorhanden voor de tweede begunstigde om effectief zijn rechten met (verbintenisrechtelijke) sanctiemechanismen te vrijwaren tijdens het leven van de eerste begunstigde. De eerste begunstigde dient immers als een normaal voorzichtig en vooruitziend persoon om te springen met het doelvermogen[13]. Wij menen dat een rechter zich bij de beoordeling in belangrijke mate zal laten inspireren op de sterkte van het bestemmingsgebonden karakter van het fideïcommissair vermogen, alsook op de corrigerende werking van het algemeen rechtsbeginsel van rechtsmisbruik. Zo ook erkende het Antwerpse hof in haar arrest reeds het “correctief” karakter van het verbod op rechtsmisbruik[14].

Bij het leerstuk van rechtsmisbruik zal volgens cassatierechtspraak de sanctie niet het volledig verbeuren van het recht zijn, maar wel het opleggen van de normale uitoefening of met andere woorden het matigen van de rechtsuitoefening, dan wel, indien het voorgaande niet meer mogelijk is, het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht[15].

Mogelijks zou de tweede begunstigde indien de derde op de hoogte is en wetens en willens heeft meegewerkt aan de inbreuk, zich kunnen trachten te beroepen op de derde-medeplichtigheid of de pauliaanse vordering[16].

Wij verwachten dat er zich in de nabije toekomst meer en meer betwistingen zullen voordoen over de (gestelde) inbreuken door de eerste begunstigde. Indien de tweede begunstigde tijdens het leven van de eerste begunstigde zijn rechten niet heeft (kunnen) vrijwaren, zal hij dit na het overlijden van de eerste begunstigde alsnog kunnen trachten te doen. Na het overlijden van de eerste begunstigde zal zijn nalatenschap (en dus zijn erfgenamen) in principe gehouden zijn tot herstel. Op welke wijze en in welke mate dit herstel door de rechtspraak zal worden toegekend, zal de toekomst uitwijzen.

Auteurs:

Mark Delboo
Julie De Pooter

Lore Lemmens

Tijdens de studienamiddagen op 12 december 2018 en 17 januari 2019 belichten mr. Mark Delboo en mr. Julie De Pooter de fideïcommis de residuo in al zijn aspecten, met bijzondere aandacht voor uw notariële praktijk. Klik hier voor meer informatie en inschrijvingen.

In de onderstaande video licht Mark Delboo het programma van de opleiding kort toe. Meer interviews met de advocaten van DELBOO vindt u terug via deze link.

DELBOO

Wilt u meer recente artikels lezen van deze auteur? Klik hier.

Voetnoten
[1] H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, VIII-2, Les testaments, Brussel, Bruylant, 1973, 1884, nr. 1750; J. RONSE, “Het fideïcommis de residuo” T.Not. 1949, 2; M. PUELINCKX-COENE, “Hoe bezwaard is de eerste begunstigde van een fideï-commis de residuo? Is dat anders zo die een reservataire erfgenaam is van de erflater?”, T.Not. 2016, afl. 5, 311-312; A. VERSTRAETE en J. DU MONGH, “Successieplanning middels schenking met fideïcommis de residuo”, in C. CASTELEIN, A. VERBEKE en L. WEYTS (eds.), Notariële clausules: liber amicorum Professor Johan Verstraete, Antwerpen, Intersentia, 2007, 365.

[2] R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE, K. VANHOVE, Handboek Burgerlijk Recht, Deel III, Antwerpen, Intersentia, 2007, 299 e.v.; M. PUELINCKX-COENE (noot onder Rb. Dendermonde 11 juni 1959), RW 1970-71, (1909) 1913; W. VAN GERVEN, Algemeen deel, 1969, nr. 37; J. DEL CORRAL, De voorwaardelijke verbintenis, Mechelen, Kluwer, 2014, 144-148; M. PUELINCKX-COENE, “Hoe bezwaard is de eerste begunstigde van een fideï-commis de residuo? Is dat anders zo die een reservataire erfgenaam is van de erflater?”, T.Not. 2016, afl. 5, 311-312; V. SAGAERT, “Verbod van erfstellingen over de hand voorbijgestreefd?”, in R. Barbaix, M. Puelinckx-Coene, F. Swennen (eds.), Over erven: Liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Mechelen, Kluwer, 2006, 396 e.v.

[3] Rb. Dendermonde 11 juni 1969, RW 1970-71, 1909 e.v., noot M. PUELINCKX-COENE; Antwerpen 8 april 2015, T.Not. 2015, afl. 6, 436 e.v.; B. CARDOEN, “Het fideïcommis de residuo toegepast op een schenking van actuele goederen”, Not.Fisc.M. 2004, 228-229; R. JANSEN, “Verstrooide gedachten over zakelijke subrogatie bij het fideïcommis de residuo”, in C. DECLERCK, J. DU MONGH en W. PINTENS, Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 357; K. RUYSEN, “De erfstelling over de hand”, Jura Falc. 2006-07, 385; D. GRUYAERT, “De exclusiviteit van het eigendomsrecht”, RW 2016-17, nr. 9, 330.

[4] Art. 1185 BW; M. DE MAN, De verbintenisrechtelijke tijdsbepaling, Brugge, die Keure, 2013, 457 e.v.

[5] B. CARDOEN, “Het fideïcommis de residuo toegepast op een schenking van actuele goederen”, Not.Fisc.M. 2004, 227; R. JANSEN, “Verstrooide gedachten over zakelijke subrogatie bij het fideïcommis de residuo”, in C. DECLERCK, J. DU MONGH en W. PINTENS, Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 356 e.v.

[6] Antwerpen 8 april 2015, T.Not. 2015, afl. 6, 436 e.v.; M. PUELINCKX-COENE, “Hoe bezwaard is de eerste begunstigde van een fideï-commis de residuo? Is dat anders zo die een reservataire erfgenaam is van de erflater?”, T.Not. 2016, afl. 5, 321; R. JANSEN, “Verstrooide gedachten over zakelijke subrogatie bij het fideïcommis de residuo”, in C. DECLERCK, J. DU MONGH en W. PINTENS, Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 359-360; R. JANSEN, Beschikkingsonbevoegdheid, Antwerpen, Intersentia, 2009, 316; R. BARBAIX; “Last van fideïcommis de residuo” in A. VERBEKE, F. BUYSSENS, H. DERYCKE (eds.), Handboek Estate Planning – Vermogensplanning met effect bij leven – Schenking, Boek 2, Topic 112, Gent, Larcier, 2009, 566.

[7] V. SAGAERT, rapport in CSW-dossier 6356, “fideïcommis de residuo – zaakvervanging of vergoedingsrecht”, Verslagen en debatten van het CSW, 2008-09, Brussel, Bruylant, 2012, 740.

[8] Antwerpen 8 april 2015, T.Not. 2015, 436.

[9] In de casus had de erflater volgende beschikkingen opgenomen betreffende het fidëicommissair vermogen: het laten opmaken van een staat en inventaris van het vermogen verkregen uit de nalatenschap door de eerste begunstigde, een afzonderlijk beheer (en belegging) van het eigen vermogen van de eerste begunstigde, bij vervreemding van een oorspronkelijk vermogensbestanddeel zullen de goederen of rechten, die in wederbelegging daarvan worden verkregen, in de plaats treden van de vervreemde bestanddelen, vervreemden ten kosteloze titel is niet toegestaan.

[10] Antwerpen 23 oktober 2006, T.Not. 2008, 191. In deze casus had de erflater bepaald dat de eerste begunstigde vrij was om naar eigen wensen over het fideïcommissair te beschikken en werden geen verdere voorwaarden/lasten opgelegd.

[11] Zie ook M. PUELINCKX-COENE, “Hoe bezwaard is de eerste begunstigde van een fideï-commis de residuo? Is dat anders zo die een reservataire erfgenaam is van de erflater?”, T.Not. 2016, afl. 5, 327.

[12] M. VAN QUICKENBORNE, “Het legaat de residuo”, TPR 1972, 632 e.v. waar de auteur stelt dat indien de eerste begunstigde schenkingen doet, ondank een verbod, hij een fout heeft bedreven en hij ertoe gehouden zal zijn alle uit fout voortvloeiende schade te vergoeden. De auteur vervolgt dat de nalatenschap dus “normalerwijze” aan de verwachter een bedrag zal moeten betalen, dat gelijk is aan de waarde van de geschonken goederen, op het ogenblik van het overlijden van de bezwaarde.

[13] Rb. Tongeren, 19 mei 2005, T.Not. 2006, 145-146.

[14] In haar arrest van 8 april 2015 lijkt het hof te Antwerpen dit trouwens eveneens te erkennen: “Het verbod op rechtsmisbruik kan eventueel als correctief fungeren, maar rechtsmisbruik of kwade trouw is niet aangetoond op heden, zoals hoger reeds is overwogen.”

[15] A. Van Oevelen, S. Rutten en J. Rozie, Rechtsmisbruik, Antwerpen, Intersentia, 2015, 46 e.v.; L. Geudens, I. Samoy, S. Stijns, Het verbod op rechtsmisbruik in contracten. Evaluatie van een algemeen rechtsbeginsel., Brugge, die Keure, 2014, 103 e.v.

[16] R. DILLEMANS, M. PUELINCKX-COENE, W. PINTENS m.m.v. N. TORFS, “Overzicht van rechtspraak – Schenkingen en testamenten”, TPR 1985, 624-625; R. JANSEN, “Verstrooide gedachten over zakelijke subrogatie bij het fideïcommis de residuo”, in C. DECLERCK, J. DU MONGH en W. PINTENS, Patrimonium 2009, Antwerpen, Intersentia, 2009, 361-362; J.-P. DELOBBE en F. DELOBBE, “Le fideïcommis de residuo” in C. Biquet-Mathieu (ed.), Liber amicorum Paul Delnoy, Brussel, Larcier, 2005, 209.

Opmerking plaatsen

X