Expertise

Het wettelijk en aanvullend pensioen voor zelfstandigen anno 2018

Geschreven door Jubel

Om de zoveel jaar is het nuttig om bijgepraat te worden over de complexe Belgische pensioensituatie en de gevolgen voor de zelfstandigen. Casper Verbeek geeft u graag een laatste update.

Het wettelijk pensioen: Vandaag is de wettelijke pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen vastgesteld op 65 jaar. Hieraan is geen minimale loopbaanvoorwaarde verbonden. Vanaf 2025 verhoogt deze pensioenleeftijd naar 66 jaar en in 2030 naar 67 jaar. Het wettelijk pensioen wordt uitbetaald op de 1ste dag van de maand die volgt op deze wettelijke pensioenleeftijd. Men is niet verplicht om het wettelijk pensioen aan te vragen. Dit is echter wel het geval indien men een sociale uitkering ontvangt. Op de website www.mypension.be kan eenieder opzoeken welk bruto/netto wettelijk pensioen voorzien is op de pensioendatum.

De ‘vervroegde’ pensioenleeftijd: Alhoewel de voorwaarden elk jaar strikter worden is het nog steeds mogelijk om vóór de normale pensioenleeftijd van 65 jaar vervroegd op pensioen te gaan. In 2018 kan dit nog steeds vanaf de leeftijd van 63 jaar met een loopbaanvoorwaarde van 41 jaar. Vanaf 2019 wordt de loopbaanvoorwaarde 42 jaar. Gelieve ermee rekening te houden dat wanneer u uw vervroegd pensioen aanvraagt, de instellingen waar u aanvullende pensioenen heeft opgebouwd op de hoogte worden gebracht van uw pensioen en zij uw opgebouwde aanvullende pensioenrechten moeten uitbetalen.

Toegelaten arbeid ná de pensioenleeftijd: Indien u uw rustpensioen vroeger zou opnemen dan de wettelijke pensioenleeftijd, dan mag u in 2018 tot € 6.417 netto verdienen indien u nog kinderen ten laste heeft en € 9.626 zonder kinderen ten laste. Indien u pas met pensioen gaat op de wettelijke pensioenleeftijd of na een loopbaan van 45 jaar dan mag u onbeperkt bijverdienen.

Afkopen van studiejaren: Het is de moeite waard om uit te zoeken of het financieren van studiejaren voor u nuttig is. Niet dat u vroeger met pensioen zal kunnen gaan maar u kan wel het bedrag van het pensioenvoordeel verhogen: per studiejaar dat u wil afkopen dient u € 1.500 te betalen. Het bedrag dat u betaalt voor de afkoop van studiejaren is fiscaal aftrekbaar. Netto betaalt u dus minder, afhankelijk van de marginale aanslagvoet die voor u van toepassing is in het jaar waarin u de betaling doet. De voorwaarde is wel dat u de afkoop uitvoert binnen de tien jaar na afstuderen, anders moet u meer betalen. Er is echter een overgangsperiode: van 1 december 2017 tot 30 november 2020 zullen alle werknemers en zelfstandigen, ook zij die al langer dan tien jaar zijn afgestudeerd, de studiejaren kunnen afkopen tegen het tarief van € 1.500. Per geregulariseerd jaar, verdient u er jaarlijks een bedrag van € 333,33 als gezinspensioen of € 266.66 als alleenstaande mee terug. Op basis van objectieve cijfers lijkt dit een voordeel voor iedereen. Toch zal blijken dat deze operatie voor de ene persoon al interessanter is dan voor de andere. De hoogte van de aanslagvoet in het jaar waarin u de bijkomende financiering doet en ook de hoogte van uw wettelijk pensioen spelen hierbij een rol. Er bestaan een aantal websites waar u deze impact kan simuleren. Onder andere op www.pwc.be/pensioen kan u hierover verdere details vinden.

Het aanvullend pensioen voor zelfstandigen: mogelijkheden vandaag en fiscaliteit. Hoe schat u uw pensioensituatie het best in?

Vooreerst dient u er rekening mee te houden dat uw jaarlijks wettelijk pensioen als zelfstandige ergens tussen de € 10.000 en € 14.000 zal bedragen, afhankelijk van het aantal jaren loopbaanactiviteit, uw gezinssituatie en uw inkomsten. Als u deze bedragen afzet tegen deze die u verdiende aan inkomsten als actieve advocaat, de zogenaamde ‘vervangende inkomensratio’, dan zal de daling voor velen significant zijn. Hoeveel dit ‘vervangende inkomen’ moet zijn als u gepensioneerd bent, is voor iedereen individueel verschillend en hangt af van de behoeften en de familiesituatie. Men kan als leidraad stellen dat u per jaar ten minste tussen de 50 en de 60 % (wettelijk pensioen inbegrepen) van uw vroeger inkomen zou moeten hebben. Dit zijn ook maatstaven die gebruikt worden bij pensioenplannen die Belgische werkgevers voor hun werknemers uittekenen. Met andere woorden, als u niet voor een aanvullend pensioen spaart en u hebt geen andere inkomsten (partner, erfenis …) dan kan de daling enorm zijn, zonder zelfs maar rekening te houden met inflatie.[1]

Hoe verbetert u deze situatie?

1. Vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) (2de pijler): Ondanks het feit dat slechts kleine bedragen (voor 2018 maximaal € 3.187,04 voor een gewoon VAPZ en € 3.666,85 voor een sociaal VAPZ) per jaar kunnen worden gestort, blijft dit de absolute nr. 1; ‘low hanging fruit’ zoals de Amerikanen zouden zeggen. Omdat de bijdragen 100% aftrekbaar zijn als beroepskosten is deze formule zeer aan te raden. Bovendien kan voor sommige zelfstandigen (inkomen < € 86.230,52) de socialezekerheidsbijdrage worden verlaagd omdat deze VAPZ-bijdragen van de inkomensberekeningsbasis worden afgehouden, een fiscale winst van +/- 37% (aftrekbaarheid van premies en rekening houdend met de eindbelasting).

2. Individuele pensioentoezegging (IPT) voor zelfstandigen (o.v.v. vennootschap) – 2de pijler: Als bedrijfsleider is het mogelijk om naast uw VAPZ verdere opbouw van een aanvullend pensioen te voorzien via de vennootschap. Het opgebouwde kapitaal blijft uw eigendom, zelfs bij faillissement. De premies zijn 100% fiscaal aftrekbaar voor zover de vennootschap zich houdt aan de zogenaamde ‘80%-regel’. Volgens deze fiscale bepaling mag u zich voor niet meer dan 80% van uw regelmatig normaal inkomen verzekeren, rekening houdend met uw wettelijk pensioen en uw loopbaan. Vaak wordt de IPT gebruikt ter financiering van vastgoed. Op deze manier wordt één van de nadelen, het gebrek aan liquiditeit (pensioenvoordelen pas beschikbaar op de pensioenleeftijd), omzeild. De belasting op de eindleeftijd bedraagt al naargelang de pensioenleeftijd tussen de 10 en de 16,5% aangevuld met bijkomende heffingen (3,55% RIZIV-bijdrage, 2% solidariteitsbijdrage + gemeentebelastingen).

3. De pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (POZ) (zonder vennootschap) – 2de pijler: Vanaf 1/7/2018 zal het voor zelfstandigen, werkend als natuurlijke persoon ook mogelijk zijn om verder aanvullend pensioen op te bouwen bovenop het VAPZ. Op de betaalde premies geniet men belastingvermindering van 30%, minder interessant dan de IPT (zie hierboven) maar toch de moeite. Ook hier zal de fiscale 80%-grens gelden onder een specifieke vorm. De belasting bij pensionering bedraagt ongeveer 15% (3,55% RIZIV-bijdrage, 2% solidariteitsbijdrage, en 10% eenmalige belasting verhoogd met gemeentetaks). Een fiscale winst van +/- 12% (belastingvermindering van premies en rekening houdend met de eindbelasting).

4. Pensioensparen – 3de pijler: Ook dit kan u combineren met het VAPZ, de POZ of de IPT. Voor 2018 bedraagt het maximale bedrag aan pensioensparen dat u bij uw verzekeraar of bank kan financieren een bedrag van € 960, met 30% belastingvermindering. Een alternatief kan zijn om wat meer te sparen (€ 1.230) met 25% belastingvermindering. Verschillende experten berekenden al dat dit tweede systeem minder interessant is. De eindbelasting bedraagt 8% (plus gemeentelijke opcentiemen) op de uitgekeerde voordelen.

5. Individuele levensverzekering – 3de pijler: Het maximumbedrag voor langetermijnsparen is afhankelijk van het beroepsinkomen en bedraagt maximaal € 2.310 voor het belastbaar tijdperk 2018. De stortingen leveren een belastingvermindering op van 30% op de bijdragen. De belastingheffing bij de uitkering bedraagt 10% onder voorwaarden. Deze pensioenformule kan eveneens worden gecombineerd met andere tweedepijlerpensioenplannen. Vaak dient een dergelijk contract als schuldsaldo voor een lening om een onroerend goed te verwerven of te behouden.

Tot slot: Sommigen staan afkerig voor alles wat met aanvullende pensioenplannen te maken heeft. Het geld is te weinig liquide, kortom, men gelooft meer in sparen via de vennootschap of een onroerend goed of op andere manieren. Dit is een persoonlijke keuze, maar vaak blijkt echter dat een combinatie van verschillende financiële oplossingen tot het beste resultaat leidt. Naast de discipline van het sparen voor het aanvullend pensioen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de fiscale stimuli, worden immers ook andere mogelijkheden benut (die eveneens kunnen worden meegenomen in de berekening van de vervangende inkomensratio) zoals de aanleg van een liquiditeitsreserve (bij vennootschappen). Door deze spreiding wordt het beleggingsrisico een stuk verlaagd.

Casper Verbeek

Casper Verbeek is sinds 2014 algemeen directeur van de Voorzorgskas voor advocaten, gerechtsdeurwaarders en andere zelfstandigen OFP (VKAG) en van het Solidariteitsfonds voor advocaten en gerechtsdeurwaarders VZW. Hij studeerde Handels- en financiële wetenschappen aan de HUB te Brussel en begon daarna zijn carrière bij verzekeraars (AXA), consultants (PWC, Willis Towers Watson) en in de industrie.

Dit artikel verscheen eerder in het magazine “Emile & Ferdinand” (nr. 12 2018/4) uitgegeven bij "Larcier Group". U kan het oorspronkelijke artikel hier raadplegen.

voetnoten

[1] Hoe berekent u deze ‘vervangende inkomensratio’? U verdient het werkjaar vóór uw pensionering bijvoorbeeld € 75.000 bruto op jaarbasis. Op uw pensioenleeftijd valt u terug op € 12.000 bruto wettelijk pensioen. De ‘vervangende inkomensratio’ bedraagt dan 16% (12.000/75.000). Stel dat u een VAPZ-contract heeft dat u een kapitaalbedrag op pensioenleeftijd van € 120.000 oplevert. Indien we ervan uitgaan dat u na de pensioenleeftijd gemiddeld nog 15 jaar (vuistregel) zal leven, dan deelt u het bedrag van € 120.000 door 15. Het jaarlijks aanvullend pensioenvoordeel verhoogt met € 8.000 (120.000/15). Samen met uw wettelijk pensioen stijgt uw vervangend inkomen dus naar € 20.000. De vervangende inkomensratio stijgt dan naar 26,66% (12.000+8.000)/75.000.

Opmerking plaatsen

X