Advocaten Magistratuur Nieuws

Nieuwe bemiddelingswet wil bemiddeling en andere alternatieve conflictoplossing stimuleren

Geschreven door Jubel

Auteur:
Claudia Van Severen, advocaat balie Gent en praktijkassistent Universiteit Gent

Gerechtelijke vakantie of niet, de hervormingstrein van minister van Justitie Koen Geens raast lustig verder. Op 2 juli 2018 verscheen in het Belgisch Staatsblad de “Wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing”. Deze wet bevat – zoals zijn naam doet vermoeden – diverse belangwekkende wijzigingen van een heel aantal uiteenlopende rechtsdomeinen (waaronder adoptie, nationaliteitsrecht, mede-eigendom, (Europees bank)beslag, enz.). Daarnaast heeft deze wet ook tot doel om (eindelijk) uitvoering te geven aan de belofte van de regering om maximaal in te zetten op de bevordering van alternatieve vormen van geschiloplossing, zoals bemiddeling. Het promoten van deze alternatieven zou de rechtscolleges moeten ontlasten, wat op zijn beurt moet bijdragen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand.

De overheidsrechter als ‘last resort’

Vooreerst is er een duidelijke insteek van de wetgever om de minnelijke oplossing van geschillen aan te moedigen, en de traditionele geschilbeslechting door de hoven en rechtbanken voor te behouden als vangnet wanneer andere (minnelijke) oplossingstrajecten niet mogelijk of niet aangewezen zijn.

De traditionele rol van de juridische beroepsgroepen wordt bijgestuurd in de zin dat zij voortaan, krachtens de wet, verplicht worden om partijen te informeren over de mogelijkheden van een minnelijke oplossing en om die, in de mate van het mogelijke, te bevorderen (zie nieuw art. 440 Ger.W. (voor de advocaten), nieuw art. 519 Ger.W. (voor de gerechtsdeurwaarders) en nieuw art. 730/1, § 1 en 731 Ger.W. (voor de magistraten)).

Verder krijgt de rechter de mogelijkheid om partijen op de inleidende zitting te ondervragen over de stappen die zij hebben ondernomen om hun geschil minnelijk op te lossen. Hiertoe kan hij de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. De rechter kan bovendien, op vraag van één van de partijen, of ambtshalve indien hij dit nuttig acht, en zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, de zaak verdagen naar een vaste datum van maximum één maand om partijen de kans te geven hun geschil op minnelijke wijze te regelen (nieuw art. 730/1, § 2 Ger.W.). Deze maatregel kan slechts éénmaal worden bevolen in het raam van hetzelfde geschil en dit enkel in het begin van de procedure (d.w.z. op de inleidende zitting of op de zitting waarop de zaak werd verdaagd naar een nabije datum).

De mogelijkheid voor de rechter om een sanctie op te leggen wanneer de partijen niet antwoorden op zijn vraag over wat zij hebben ondernomen alvorens de procedure in te leiden, waarin het voorontwerp voorzag, werd uiteindelijk geschrapt. Het bestaan van die mogelijkheid kon immers de indruk geven dat de partijen verplicht zouden zijn hun toevlucht te nemen tot alternatieve vormen van geschillenoplossing alvorens zich tot de rechter te wenden. De memorie van toelichting vermeldt echter uitdrukkelijk dat de poging tot minnelijke regeling van het geschil geen verplichte voorafgaande voorwaarde is voor de inleiding van een gerechtelijke procedure.

Gerechtelijke vs. buitengerechtelijke bemiddeling

Verschillende bepalingen inzake bemiddeling worden gewijzigd vanuit de optiek om het gebruik ervan aan te moedigen.

Hoewel er eertijds met de Bemiddelingswet van 2005 nog uitdrukkelijk voor werd gekozen om geen definitie van bemiddeling in de wet op te nemen, wordt bemiddeling nu alsnog wettelijk gedefinieerd als “een vertrouwelijk en gestructureerd proces van vrijwillig overleg tussen conflicterende partijen met de medewerking van een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige derde die de communicatie vergemakkelijkt en poogt de partijen ertoe te brengen zelf een oplossing uit te werken” (nieuw art. 1723/1 Ger.W.).

Het toepassingsgebied van bemiddeling wordt ook verruimd en afgestemd op dat van arbitrage. Voortaan kan elk al dan niet grensoverschrijdend geschil van vermogensrechtelijke aard, met inbegrip van een geschil waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon is betrokken, het voorwerp uitmaken van een bemiddeling. Ook niet-vermogensrechtelijke geschillen die vatbaar zijn voor dading, evenals een aantal in de wet aangeduide familiale geschillen, zijn vatbaar voor bemiddeling (nieuw art. 1724 Ger.W.).

De vroegere term “vrijwillige bemiddeling” wordt vervangen door de term “buitengerechtelijke bemiddeling” om beter het onderscheid te maken met de gerechtelijke bemiddeling die in het kader van een gerechtelijke procedure wordt bevolen.

Wat de gerechtelijke bemiddeling betreft, is er een belangrijke wijziging doordat de rechter voortaan de mogelijkheid krijgt om, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, een bemiddeling op te leggen (nieuw art. 1734, § 1 Ger.W.). Alleen indien álle partijen daartegen gekant zijn, zal de rechter de bemiddeling niet kunnen verplichten. Hoewel de Raad van State zich negatief had uitgelaten over de mogelijkheid om ambtshalve een bemiddeling op te leggen, in voorkomend geval tegen de zin in van één (of meerdere) partij(en), acht de wetgever deze mogelijkheid verantwoord nu de rechter de partijen enkel verplicht om mee te werken aan een bemiddelingspoging, maar hen niet dwingt om tot een bemiddelingsakkoord te komen. Verder wordt verduidelijkt dat het vonnis dat (ambtshalve) een gerechtelijke bemiddeling beveelt, niet vatbaar is voor enig rechtsmiddel (nieuw art. 1735, § 6 Ger.W.).

Vertrouwelijkheid is een basiskenmerk van bemiddeling, en dat blijft zo voor alle documenten die worden opgemaakt en mededelingen die worden gedaan in de loop van een bemiddelingsprocedure. De wet bepaalt voortaan uitdrukkelijk dat partijen kunnen afwijken van de geheimhoudingsplicht binnen de grenzen die zij bepalen. Ook wordt verduidelijkt dat niet alleen de schending van het geheim door één van de partijen aanleiding kan geven tot schadevergoeding, maar ook de schending door de bemiddelaar of de advocaat van een partij (nieuw art. 1728 Ger.W.).

De (erkende) bemiddelaar

De bestaande onverenigbaarheid voor magistraten en griffiers om tegen bezoldiging op te treden in een scheidsgerecht wordt uitgebreid naar het optreden als bezoldigd bemiddelaar (nieuw art. 298 Ger.W.). Een uitzondering wordt gemaakt voor emeritus magistraten en eremagistraten. Ook plaatsvervangende magistraten en lekenrechters mogen optreden als bemiddelaar voor zover zij van de zaak geen enkele kennis hebben gehad tijdens de uitoefening van hun ambt. Wel mogen zij hun ambt niet meer uitoefenen in dossiers waarin zij voordien als bemiddelaar zijn opgetreden.

De kwaliteit van de erkende bemiddelaars wordt gevalideerd door de bescherming van de uitoefening van het beroep en van de titel. Het oneigenlijk gebruik van de titel van erkend bemiddelaar is voortaan strafrechtelijk gesanctioneerd (nieuw art. 227quater Sw.). Ook de tuchtprocedure en de deontologie worden versterkt. Daarnaast verdwijnt het actuele onderscheid tussen de drie soorten van bemiddelaars (in familiezaken, in burgerlijke zaken en handelszaken, en in sociale zaken).

Ten slotte wordt de structuur van de Federale Bemiddelingscommissie gemoderniseerd (nieuw art. 1727/1-1727/5 Ger.W.) en haar rol versterkt, waardoor zij bemiddeling kan promoten, opvolgen en verder ontwikkelen op nationaal niveau (nieuw art. 1727 Ger.W.).

Collaboratieve onderhandelingen en advocaten

Het innovatieve sluitstuk van de wet wordt gevormd door de bepalingen over de collaboratieve onderhandelingen (nieuwe art. 1738-1747 Ger.W.). Dit is een onderhandelingsvorm die komt overgewaaid vanuit de Verenigde Staten, en die specifiek wordt voorbehouden aan speciaal daartoe opgeleide advocaten, zogenaamde “collaboratieve advocaten”.

Volgens de memorie van toelichting stapt een collaboratieve advocaat af van zijn traditionele rol als tegenstander van een andere partij, maar probeert hij samen met de advocaat van de tegenpartij om in alle transparantie “creatieve oplossingen” te vinden en partijen tot een akkoord te brengen.

De Ordes van Advocaten hebben de taak gekregen om lijsten van collaboratieve advocaten op te stellen. Om op die lijst te komen, moet de advocaat een specifieke opleiding hebben gevolgd, een erkenning als collaboratieve advocaat hebben verkregen en het reglement voor collaboratieve advocaten hebben onderschreven (nieuw art. 1739 Ger.W.).

Belangrijk is dat het optreden van een collaboratieve advocaat strikt beperkt is tot het doel van de collaboratieve onderhandeling. Indien een van de partijen zich terugtrekt uit de collaboratieve onderhandeling of indien de collaboratieve onderhandeling eindigt, met of zonder akkoord, is de collaboratieve advocaat ertoe gehouden zijn tussenkomst te beëindigen en mag hij niet meer optreden in een gerechtelijke procedure die betrekking heeft op het voorwerp van de collaboratieve onderhandelingen. Hetzelfde geldt voor iedere advocaat die van hetzelfde advocatenkantoor deel uitmaakt, inclusief de interne of externe medewerkers en stagiairs (nieuw art. 1743, § 3 Ger.W.). Hoewel begrip kan worden opgebracht voor dit cumulverbod in het licht van de vertrouwelijkheid van de onderhandelingen, is het nog maar de vraag of veel advocaten zich geroepen zullen voelen om voor hun (vaste) cliënten op te treden in het kader van een collaboratieve onderhandeling, als dit mogelijks betekent dat zij hen nadien moeten doorverwijzen naar een collega.

Inwerkingtreding

De nieuwe wet treedt in werking op 12 juli 2018, behalve de bepalingen over de hervorming van de federale bemiddelingscommissie, de erkenning van bemiddelaars en de collaboratieve onderhandelingen die pas op 1 januari 2019 in werking treden, tenzij de Koning een vroeger tijdstip bepaalt.

Claudia Van Severen
Advocaat balie Gent en praktijkassistent Universiteit Gent

Everest

Opmerking plaatsen

X