Nieuws

VLABEL spreekt zich uit over nieuwigheden uit het hervormde erfrecht (Deel 1)

Geschreven door Cazimir

VLABEL spreekt zich uit over nieuwigheden uit het hervormde erfrecht (Deel 1/2)

De hervorming van het erfrecht brengt heel wat veranderingen met zich mee. Zo worden onder andere enkele nieuwe instrumenten in het leven geroepen. Deze veranderingen doen evenwel vragen rijzen op fiscaal vlak. Op 12 maart 2018 publiceerde VLABEL verschillende standpunten over hoe zij zullen omspringen met enkele van deze nieuwe instrumenten.

Inbreng van levensverzekeringen – VLABEL SP nr. 17046

Een eerste verandering die voortspruit uit de hervorming van het erfrecht heeft betrekking op de inbrengregels van verzekeringsprestaties uit levensverzekeringen. De wetgever beoogt de bijzondere inbrengregels uit de Verzekeringswet in overeenstemming te brengen met de inbrengregels uit het Burgerlijk Wetboek. De hervorming van het erfrecht heeft niet kunnen zorgen voor een volledige afstemming van de Verzekeringswet op het Burgerlijk Wetboek, waardoor men in het wetsvoorstel tot hervorming van het huwelijksvermogensrecht (thans nog hangend voor de kamer) deze materie verder herwerkt.

Vandaag wordt een verzekeringsprestatie uitgekeerd naar aanleiding van het overlijden van de verzekeringnemer vermoed met vrijstelling van inbreng te zijn gedaan. Dit terwijl het Burgerlijk Wetboek een omgekeerd vermoeden hanteert. Thans geldt het vermoeden dat een schenking aan een erfgenaam geacht wordt te zijn gedaan als voorschot op erfdeel, tenzij de schenker uitdrukkelijk anders heeft bepaald. De hervorming van het erfrecht beperkt dit vermoeden evenwel tot erfgenamen in de rechte nederdalende lijn van de schenker.

Ook de kwalificatie van een verzekeringsprestatie uitgekeerd naar aanleiding van het overlijden wijzigt. Vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht is deze verzekeringsprestatie onderworpen aan de inbreng, tenzij de verzekeringnemer heeft bepaald dat de verzekeringsprestatie wordt vrijgesteld van inbreng. Dit nieuw vermoeden is van toepassing op alle aanwijzingen van begunstigden vanaf 1 september 2018. De tekst van artikel 188 van de Verzekeringswet maakt hierbij geen onderscheid tussen erfgenamen in de rechte nederdalende lijn en andere erfgenamen, terwijl het Burgerlijk Wetboek dit, na de hervorming van het erfrecht, wel doet. Na 1 september 2018 worden enkel schenkingen aan erfgenamen in de rechte nederdalende lijn vermoed aan inbreng te zijn onderworpen. Schenkingen aan anderen zullen in principe buiten erfdeel zijn (tenzij uitdrukkelijk anders bepaald).

De wetgever beoogt via de hervorming van het huwelijksvermogensrecht een volledige gelijkschakeling te bekomen tussen de Verzekeringswet en het Burgerlijk Wetboek door te stipuleren dat de verzekeringsprestatie zal moeten worden ingebracht conform de inbrengregels uit het Burgerlijk Wetboek.

Hoe wordt de inbreng van een dergelijke verzekeringsprestatie fiscaal benaderd? VLABEL zal artikel 2.7.1.0.6 VCF op deze uitkering toepassen. Concreet betekent dit dat de begunstigde van de verzekeringsprestatie enkel belast wordt op het deel van het voordeel dat hij behoudt en dat de erfgenamen die een deel van het voordeel via inbreng verkrijgen op hun deel worden belast. De zienswijze van VLABEL is correct. Kijkt men naar de inbrengregels van legaten komt men immers tot hetzelfde resultaat.

Onder het huidige erfrecht blijft een legaat gedaan als voorschot op erfdeel zonder gevolg en zal dit door de legataris, gelet op de op hem rustende inbrengverplichting, niet kunnen worden opgeëist (tenzij de legataris verzaakt aan zijn hoedanigheid van erfgenaam in de gewone nalatenschap, dan wordt het legaat automatisch een legaat buiten erfdeel en krijgt het legaat uitwerking binnen de grenzen van het beschikbaar deel). Na de inbreng van het legaat worden de nalatenschapsgoederen, waaronder het in natura ingebrachte legaat, verdeeld tussen de erfgenamen en zal elke erfgenaam erfbelasting verschuldigd zijn op zijn erfdeel.

Na de hervorming van het erfrecht worden de inbrengregels van legaten gewijzigd. Het legaat zal worden uitgekeerd aan de legataris waarna deze laatste zal moeten inbrengen in waarde. Burgerrechtelijk zijn de regels omtrent de wijze van inbreng hervormd, maar fiscaal blijft het eindresultaat hetzelfde. Na de inbreng van het legaat (in waarde) en de verdeling van de nalatenschapsgoederen, zal elke erfgenaam erfbelasting verschuldigd zijn op zijn erfdeel.

Deze redenering kan men doortrekken naar het fictief legaat vervat in artikel 2.7.1.0.6 VCF, waardoor een verzekeringsprestatie uitgekeerd naar aanleiding van het overlijden belast wordt bij diegenen die het voordeel van deze uitkering genieten.

Het is mogelijk dat op het ogenblik van de aangifte van nalatenschap nog niet duidelijk is op welke manier de verzekeringsprestatie moet worden verdeeld tussen de erfgenamen. In dat geval zal achteraf, wanneer komt vast te staan welk deel van de verzekeringsprestatie toekomt aan welke erfgenaam (ten gevolge van de verrichtingen van inbreng en inkorting), een bijvoeglijke aangifte moeten worden ingediend.

Inbreng met generatiesprong – Erfovereenkomst met generatiesprong – VLABEL SP nr. 17047

Vervolgens biedt de hervorming van het erfrecht de mogelijkheid om de inbreng ten behoeve van een derde te organiseren. Dit instrument biedt aan grootouders de mogelijkheid om schenkingen te doen aan hun kleinkind, waarbij de ouder (namens zijn kind, i.e. de begiftigde van de schenking) de schenking zal inbrengen in de nalatenschap van de grootouder-schenker. De schenking zal dan worden aangerekend op het aandeel van het kind van de grootouder-schenker (zijnde de ouder van het begiftigde kleinkind) in de nalatenschap van de grootouder-schenker, terwijl het kleinkind van de schenker de eigenlijke schenking heeft ontvangen. Op deze manier wordt een generatiesprong gerealiseerd.

Civielrechtelijk komt deze constructie neer op een (fictieve) dubbele schenking: enerzijds gebeurt een rechtstreekse schenking van een grootouder aan zijn kleinkind, anderzijds gebeurt een onrechtstreekse schenking van een ouder aan zijn kind.

VLABEL stelt in het standpunt nr. 17047 terecht dat deze burgerrechtelijke fictie geen invloed heeft op de fiscale behandeling van de schenking. Enkel de reële schenking, namelijk de schenking door de grootouder aan het kleinkind, zal voor de heffing van de schenkbelasting in aanmerking worden genomen. Wij nemen aan dat VLABEL deze redenering zal doortrekken bij de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF en enkel erfbelasting zal heffen wanneer de grootouder-schenker binnen de risicotermijn van drie jaar na de reële schenking overlijdt en op deze schenking geen schenkbelasting werd betaald.

Het vervolg van dit artikel, waarin onder meer de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot wordt besproken, kunt u volgende week lezen op Jubel.be.

Cazimir Advocaten

Opmerking plaatsen

X